Opname, EHBO & voorbereiding

home >
terug naar module overzicht >
OZT-Opname, EHBO & voorbereiding

Uit HŠvamŠl (het lied van de 'Hoge' of 'Verlichte' of 'Verhevene')

De HŠvamŠl bestaat uit veel raadgevingen om in het dagelijks leven op te volgen. Het geeft een beeld van de etiquette van de Germaanse volkeren in de Romeinse tijd. De overlevering van deze raadgevingen ging in de vorm van gedichten in stafrijm. Pas in de 13e eeuw werden de gedichten in IJsland op schrift gesteld.
Er zijn twee verzen (stanza) die 'voorbereiding' als kenmerk hebben, zij vormen de 'raadgevende' basis (en zinnebeeld) voor deze module.

Iemand die weinig arbeiders heeft en zelf aan het werk gaat, moet vroeg opstaan;
Veel wordt verzuimd door iemand die lang blijft slapen; wie alert reageert is half rijk.

Een man weet hoeveel aanmaakhout en dakbedekking er nodig is;
Hij weet ook hoeveel hout voor het vuur voldoende is voor een heel of een half seizoen.

ELSA-BRITA TITCHENELL, De Maskers van Odin

OPERATIEVE ZORG EN TECHNIEKEN
Module: Opname, EHBO & voorbereiding
J. van Reekum [ill J. van Reekum, omslag: ]
B2012.2.2, december 2012

Uitgever: VERES Publishing
NUR-code: 876, NUR-omschrijving: Specialistische geneeskunde: algemeen

© 2012. J. van Reekum/VERES Publishing
Uit deze internet publicatie mag worden overgenomen of geciteerd met vermelding van bron en uitgever.

VERES Publishing, Van Spaenweg16, 6862 XK Oosterbeek

 Voorwoord en verantwoording

Doelstelling van deze module:
De student maakt kennis met de preoperatieve situatie van de patiŽnt en leert de correcte handelingen bij een acute opname van de operatiepatiŽnt via de EHBO.
De student leert de inhoud van de preoperatieve dossiervorming en preoperatieve screening van de patiŽnt.

 Inhoud

1 Opname van patiŽnten in het ziekenhuis
2 Preoperatieve onderzoeken
3 Voorbereiding op de operatie (Okť voor OKŠ) en de postoperatieve periode
Bronnen

 1 Opname van patiŽnten in het ziekenhuis

Bladwijzers:
1.1 Opname via een heelkundig specialisme
1.1.1 Sociale aspecten, 1.1.2 Medische aspecten

1.2 Opname via een EHBO of Urgentie afdeling

1.2.1 Opname na onder water raken
1.2.1.1 Invloed op de fysiologie bij verdrinking, 1.2.1.2 Hulpverlening, 1.2.1.3 Behandeling, 1.2.1.4 Behandeling in een later stadium

1.2.2 Opname bij verslikken
1.2.2.1 Invloed op de fysiologie bij verslikken, 1.2.2.2 Hulpverlening, 1.2.2.3 Behandeling, 1.2.2.4 Behandeling in een later stadium

1.2.3 Opname bij verstuiking
1.2.3.1 Invloed op de fysiologie bij verstuiking, 1.2.3.2 Hulpverlening, 1.2.3.3 Behandeling, 1.2.3.4 Behandeling in een later stadium

1.2.4 Opname bij een luxatie
1.2.4.1 Invloed op de fysiologie bij luxaties, 1.2.4.2 Op een EHBO, 1.2.4.3 Op het operatiekamercomplex, 1.2.4.4 Op langere termijn

1.2.5 Opname bij fracturen
1.2.5.1 Invloed op de fysiologie bij fracturen, 1.2.5.2 Op een EHBO, 1.2.5.3 Op het operatiekamercomplex, 1.2.5.4 Op langere termijn

1.2.6 Opname bij vergiftigingen

1.2.6.1 Invloed op de fysiologie bij vergiftigingen via de longen,
1.2.6.2 Hulpverlening, 1.2.6.3 Behandeling, 1.2.6.4 Behandeling in een later stadium

1.2.6.5 Invloed op de fysiologie bij vergiftigingen via het maagdarm kanaal,
1.2.6.6 Hulpverlening, 1.2.6.7 Behandeling, 1.2.6.8 Behandeling in een later stadium

1.2.6.9 Invloed op de fysiologie bij vergiftiging via het bloed,
1.2.6.10 Hulpverlening, 1.2.6.11 Behandeling, 1.2.6.12 Behandeling in een later stadium

1.2.7 Opname bij elektrocutie
1.2.7.1 Invloed op de fysiologie bij elektrocutie, 1.2.7.2 Hulpverlening, 1.2.7.3 Behandeling, 1.2.7.4 Behandeling in een later stadium

1.2.8 Opname bij verbranding
1.2.8.1 Invloed op de fysiologie bij verbrandingen, 1.2.8.2 Hulpverlening, 1.2.8.3 Behandeling, 1.2.8.4 Behandeling in een later stadium

1.2.9 Opname van multi trauma patiŽnten
1.2.9.1 Wat is een multi trauma patiŽnt?
1.2.9.2 Op een EHBO, 1.2.9.3 Op het operatiekamercomplex, 1.2.9.4 Op langere termijn

1.2.10 Opname bij bloedingen
1.2.10.1 Invloed op de fysiologie van bloedingen, 1.2.10.2 Op een EHBO, 1.2.10.3 Op het operatiekamercomplex, 1.2.10.4 Op langere termijn

1.2.11 Opname bij oogletsels
1.2.11.1 Invloed op de fysiologie bij oogletsels, 1.2.11.2 Op een EHBO, 1.2.11.3 Op het operatiekamercomplex, 1.2.11.4 Op langere termijn

Doelstellingen

 1.1 Opname via een heelkundig specialisme

 1.1.1 Sociale aspecten

PatiŽnten die geopereerd gaan worden hebben vaak al een lange weg achter zich. Allereerst een bezoek aan de huisarts, eventueel gevolgd door een therapie die niet of niet genoeg geholpen heeft. Daarna hebben de patiŽnten moeten wachten op de oproep.
PatiŽnten zijn vaak onzeker ten aanzien van hun ziekte. Soms denken zij dat het erger is dan het in werkelijkheid is en in een ander aantal gevallen denkt de patiŽnt te licht over de situatie waarin hij verkeert. Onzekerheid maakt een patiŽnt nerveuzer dan strikt nodig is.
Bij een acute opname is de tijd tussen de openbaring van de kwaal en de opname weliswaar minder lang, maar de pijn en eventueel ook angst voor een fatale afloop zijn vaak veel sterker.
Als men zelf ooit opgenomen is geweest in een ziekenhuis dan komen de volgende ervaringen van de eerste dag misschien bekend voor. Je gaat overal aan en langs: rŲntgen, laboratorium, opname, je bed, longfunctieonderzoek. Er volgen onderzoeken door artsen en assistenten en er is een anesthesioloog die vragen stelt die 'niets' met de kwaal te maken hebben. Kortom het hele ziekenhuis wordt doorgelopen, onder geleide van een plattegrond, aanwijsborden en een routebriefje.
Als men het echt slecht treft, heeft men van andere patiŽnten ook nog een aantal indianenverhalen te horen gekregen, in de trant van: "Moest je in zo'n slang blazen? Nou dat is niet best, dat moest mijn oom ook en die is even later in het ziekenhuis overleden" of "Halverwege de narcose maken ze je even wakker om te kijken of je er nog wel bent" of "Je moet geen ruggenprik nemen hoor, een kennis van mij is er door verlamd geraakt".
Aan het einde van zo'n dag rest er vermoeidheid. Als dan op zo'n dag wordt teruggekeken, is er niets gebeurd, behalve dat men nog zenuwachtiger is geworden.
Is deze situatie voorstelbaar? Voor iemand die in het ziekenhuis werkt is wel een verklaring te vinden voor al deze onderzoeken en vragen. Maar voor een leek is dit veelal anders. Alhoewel verpleegkundigen van de afdeling de patiŽnt met voorlichting en een goed gesprek misschien toch vaak geruststellen, is hier voor het personeel van een operatiekamercomplex zeker nog een belangrijke taak.

 1.1.2 Medische aspecten

Ooit eens meegemaakt: 14 jarig jongetje wordt voor een gynecomastie operatie in slaap gemaakt. De chirurg komt de operatiekamer op om te gaan wassen. Hij kijkt even naar de patiŽnt en constateert geen gynecomastie meer. De hormoonspiegels zijn kennelijk veranderd en een operatie is niet meer nodig. De patiŽnt heeft echter wel het anesthesierisico gelopen!

De patiŽnt wordt onderzocht door de hoofdbehandelaar. Deze stelt zich op de hoogte van de situatie die de operatie noodzakelijk maakt.
Bij pijnbestrijding is de hoofdbehandelaar de anesthesioloog. Ook hij zal zich middels onderzoek op de hoogte stellen van de toestand van de patiŽnt. Deze situatie zal zich meer en meer voor gaan doen nu het werkterrein van de anesthesioloog (en van zijn assistentie) zich in deze richting heeft uitgebreid.

 1.2 Opname via een EHBO of Urgentie afdeling

 1.2.1 Opname na onder water raken

 1.2.1.1 Invloed op de fysiologie bij verdrinking

Onderzoeken bij slachtoffers van verdrinking leverde een scheiding op tussen twee soorten verdrinking, te weten:
a. Verdrinken zonder aspiratie van de vloeistof.
b. Verdrinken met aspiratie van de vloeistof.
Bij het verdrinken zonder aspiratie van vloeistof (dit gebeurt in 10% van de gevallen) overlijdt het slachtoffer aan zuurstofgebrek en/of koolzuurophoping in het bloed. Doordat de keel wordt afgesnoerd, komt er geen vloeistof in de longen. Deze situatie heeft veel overeenkomsten met verslikken. Bij verslikken zal dan ook verder op deze situatie worden ingegaan.
Bij het verdrinken met aspiratie van vloeistof spelen andere zaken een rol. De problemen hierbij liggen vaak in de eerste plaats op het gebied van circulatie en gasdiffusie in de longen.
De temperatuur van het water speelt ook een rol. Koud water zal er voor zorgen dat de stofwisseling van het slachtoffer daalt. Koud water heeft ook invloed op de bloedsomloop.
Verdrinken in zoet water:
Bij het verdrinken in zoet water zal er, zodra er water in de alveolen komt, via de wand water in de bloedbaan worden opgenomen. Dit gebeurt onder invloed van de osmotische druk van het bloed. Het bloed is hypertoon ten opzichte van water en zal water aantrekken. Het verdrinken in zoet water leidt enerzijds tot decompensatio cordis ten gevolge van een overvulling van de circulatie. Anderzijds is er de mogelijkheid van fibrilleren door afkoeling van het lichaam.
Door het water wordt ook de 'surfactant' weggewassen. Dit is een stof die de oppervlaktespanning verlaagt en op deze manier de alveoli open houdt. Het verdwijnen van deze stof heeft als resultaat dat de alveolen samenvallen en niet goed meer ontplooien. Dit geeft aanleiding tot atelectasen. Uiteindelijk wordt de gaswisseling sterk belemmerd.
Verdrinken in zout water:
Bij verdrinken in zout water zal er, zodra er water in de alveolen komt, vocht uit de bloedbaan worden opgenomen in het zoute water. De osmotische druk van zeewater is hoger dan die van bloed. Het gevolg is dan ook: uitdroging. Het water in de alveolen blokkeert niet alleen de gaswisseling, maar neemt ook nog albumine mee vanuit het bloed rond de alveoli. Dit veroorzaakt longoedeem en een gestoorde gaswisseling, die blijft bestaan ook nadat het zoute water weer weg is. Ook nu is er weer sprake van het wegwassen van de 'surfactant' met alle gevolgen van dien. Bij het verdrinken in zout water speelt de temperatuur eveneens een belangrijke rol.
Het is moeilijk na te gaan wat het eerst gebeurt: de dood door zuurstoftekort of de dood door overvulling of uitdroging of de dood door verandering van de mineralenconcentratie in het bloed. Dierproeven hebben aangetoond dat er bij water in de longen een gaswisseling van zuurstof en koolzuur tussen het water en het bloed behouden blijft. Er zou niet direct een zuurstoftekort of een overmaat aan koolzuur in het bloed optreden.
Het is echter waarschijnlijker dat de dood door fibrilleren vanwege de lage temperatuur en de gestoorde mineralenhuishouding als eerste intreedt.
Als het slachtoffer 'op het droge' is, belemmert het water in de alveoli wel de gaswisseling. Het water moet zo snel mogelijk uit de longen verwijderd worden.
Voor de hulp aan het slachtoffer is het van belang te weten of het een verdrinking in zout of in zoet water betrof. Voor een eventuele reanimatie is het van belang te weten hoe de temperatuur van dat water was. Bij koud water neemt de invloed van een circulatiestilstand op het hersenweefsel namelijk af.

 1.2.1.2 Hulpverlening

Directe hulp: Hulp op een EHBO:
Houd het hoofd omlaag, zo kan water uit de luchtwegen weglopen.
Controle vitale functies: Ademhaling: kleur, uitzetten borstkas, geluid, volume per ademteug.
Bewustzijn: aanspreken, pijnprikkel toedienen.
Circulatie: pols voelen, art. femoralis, carotis (cave: vagale reflex!).
Trendelenburg, zo kan evt. nog water uit de luchtwegen weglopen.
Controle vitale functies: Ademhaling: Als bij directe hulp, evt. met ballon en 100% zuurstof beademen of zuurstof toedienen.
Bewustzijn: Als bij directe hulp.
Circulatie: Als bij directe hulp.

 1.2.1.3 Behandeling

Directe behandeling: Behandeling op een EHBO:
Naar een ziekenhuis (laten) vervoeren.
Zorg voor een goede ademhaling, evt. ondersteunen door mond op mond/neus beademing.
Probeer te bewerken, dat het slachtoffer zoveel mogelijk water uit de longen kwijtraakt.
Zorg voor een goede circulatie, evt. ondersteunen door hartmassage of CPR.
Arts (laten) roepen.
Als bij directe behandeling, maar nu zuurstof toedienen of beademen met zuurstof.
Als bij directe behandeling, beademen met zuurstof, zo mogelijk uitzuigen van de luchtwegen.
Als bij directe behandeling, zorg voor medicijnen die de hartwerking ondersteunen.

 1.2.1.4 Behandeling in een later stadium

Het slachtoffer zal waarschijnlijk worden opgenomen op een intensive care afdeling. Hier zal men door beademen en toedienen van medicamenten proberen de gevolgen van het longoedeem alsmede van de verslechterde circulatoire en ventilatoire toestand te verkleinen en zo mogelijk op te heffen.

 1.2.2 Opname bij verslikken

 1.2.2.1 Invloed op de fysiologie bij verslikken

Figuur 1: Luchtpijpdiameter.
Luchtpijpdiameter.

Onder verslikken wordt verstaan, dat stoffen die niet voor de weg naar de longen toe bestemd zijn, hier toch terechtkomen ('het verkeerde keelgat'). Dit is mogelijk met zowel vaste stoffen als vloeistoffen.
Bij het verslikken in vloeistoffen, men spreekt ook wel van aspireren, wordt het longweefsel aangetast. Dit leidt in de meeste gevallen tot een pneumonie (aspiratiepneumonie). Vooral braaksel (zuur) is berucht wegens het veroorzaken van levensgevaarlijke aspiratie pneumonieŽn.
Bij het verslikken in een vaste stof zijn er een aantal mogelijkheden:
- Het voorwerp is zo groot dat het de larynx niet passeert.
- Het voorwerp passeert de larynx wel en verstopt ťťn van de kleinere luchtwegen (pillen, pinda's, borrelnootjes e.d.).
In het eerste geval dreigt er verstikking van het slachtoffer door zuurstofgebrek en koolzuurstapeling. Dit komt ook overeen met het verdrinken zonder aspiratie van water en met de situatie van weefselzwelling na een insectensteek in de keel. Het slachtoffer kan bij een inademingspoging zoveel onderdruk om in te ademen genereren dat er longoedeem ontstaat door deze extreem lage druk. De Heimlich manoeuvre (van achter de armen om de buik van het slachtoffer leggen en met kracht naar boven/achter trekken.) kan de resterende lucht in de longen naar buiten persen en de obstructie naar buiten de mond-keelholte brengen.
In het tweede geval wordt een groter of kleiner deel van de longen afgesloten van ventilatie. Er zal nu een atelectase (gedeeltelijk samengevallen long) ontstaan, hetgeen weer aanleiding kan geven tot pneumonie.
DENK ER OM, DAT BIJ KINDEREN DE LUCHTPIJPDIAMETER KLEINER IS DAN DE LARYNXDIAMETER! Bij hen kan een voorwerp wel de larynx passeren, en dan toch een totale obstructie van de luchtwegen veroorzaken!

 1.2.2.2 Hulpverlening

Directe hulp: Hulp op een EHBO:
Laat iemand een auto starten.
Laat iemand een mes, schaar en/of een ballpoint halen. (Kan nodig zijn bij een noodtracheotomie)
Arts (laten) roepen.
Open de noodtracheotomie set.

 1.2.2.3 Behandeling

Directe behandeling: Behandeling op een EHBO:
Probeer door abrupt en krachtig samendrukken van de thorax en buik of het voorwerp kan worden opgehoest (Heimlich).
Bij een insectensteek werkt dit niet!
Snel naar het ziekenhuis is de oplossing.
Probeer door abrupt en krachtig samendrukken van de thorax of het voorwerp kan worden opgehoest. Bij een insectensteek werkt dit niet!
Intuberen of een tracheotomie is nu aangewezen. Laat dit zo mogelijk over aan een arts!

Als het voorwerp in ťťn van de longen is terechtgekomen, is er geen onmiddellijk levensgevaar. Op een EHBO kan dan wat extra zuurstof worden toegediend.
Bij aspiratie van vloeistof: handelen als bij verdrinking.

 1.2.2.4 Behandeling in een later stadium

Als het voorwerp in het geheel is verwijderd, kan het slachtoffer naar huis. Wanneer er bij het verwijderen letsel is toegebracht of het verwijderen is onder narcose gebeurd, wordt het slachtoffer opgenomen omdat er complicaties zouden kunnen optreden.
Bij een insectensteek in de keel wordt het slachtoffer opgenomen voor een behandeling met corticosteroÔden tegen de overgevoeligheidsreactie.
Bij een vreemd voorwerp in ťťn van de kleinere luchtwegen is een rŲntgenfoto van de longen aangewezen. Als het voorwerp aldus kan worden gelokaliseerd, kan een bronchoscopie uitkomst brengen. Kan het voorwerp niet via een bronchoscopie worden verwijderd (en dit voorwerp waarschijnlijk longontsteking zal veroorzaken), dan zal een thoracotomie moeten worden verricht, teneinde dit voorwerp te verwijderen. Dit is een reden voor opname.
Bij aspiratie van braaksel of agressieve vloeistoffen zal een opname op een intensive care volgen voor de bestrijding van longoedeem en een kuur met antibiotica en corticosteroÔden om de ontstekingsreactie te onderdrukken.

 1.2.3 Opname bij verstuiking

 1.2.3.1 Invloed op de fysiologie bij verstuiking

Verstuiking (distorsie) van een gewricht ontstaat door verrekking van de gewrichtsbanden en het gewrichtskapsel. De stand van het gewricht kan tijdelijk zo abnormaal zijn dat er sprake is van een kortdurende luxatie. Door verrekking van de banden ontstaan er in de banden en in het gewrichtskapsel bloedingen. Na enige tijd vormt zich ook oedeem in de banden, het kapsel en het gewricht. Wanneer er alleen vocht uittreedt, spreken we van een hydrops van het gewricht.
Het gewricht is gezwollen en soms is er een hematoom zichtbaar. Er is geen abnormale stand te zien. (Hoewel dit gemaskeerd kan zijn door de zwelling, dus wel laten controleren op een fractuur) Het gewricht is bij beweging pijnlijk.

 1.2.3.2 Hulpverlening

Directe hulp: Hulp op een EHBO:
Getroffen gewricht niet belasten.
Zorg voor een gemakkelijke houding.
Zorg voor vervoer naar een (huis)arts.
Voorkom afkoelen van het slachtoffer (sportletsels).
Arts (laten) roepen.
Getroffen gewricht niet belasten.
Zorg voor een gemakkelijke houding.
Voorkom afkoelen van het slachtoffer.

 1.2.3.3 Behandeling

Directe behandeling: Behandeling op een EHBO:
Koel (alleen) het gewricht zoveel mogelijk af (koud water, coolpacks, o.i.d.).
Leg een drukverband aan.
Koel het getroffen gewricht zoveel mogelijk af (cool-packs).
Leg een drukverband aan.

De arts zal verder de behandeling bepalen. Er zullen waarschijnlijk rŲntgenfoto's worden gemaakt om een fractuur uit te sluiten. Er kan ook sprake zijn van een klein stukje bot dat door de kracht op de pees is afgebroken. Dit heet een avulsie fractuur. Met behulp van 'spouw'-rŲntgenfoto's kan een onderzoek worden gedaan naar een mogelijke ruptuur van de banden.

 1.2.3.4 Behandeling in een later stadium

Er zijn nu een aantal mogelijkheden:
Het slachtoffer krijgt een drukverband en mag naar huis.
Het slachtoffer krijgt een immobiliserend verband (gips, tape) en mag naar huis.
Bij een ruptuur van de banden zal het slachtoffer worden opgenomen voor een operatie of conservatieve therapie.

 1.2.4 Opname bij een luxatie

 1.2.4.1 Invloed op de fysiologie bij luxaties

Luxaties ontstaan door excessieve kracht uitgeoefend op een gewricht, waarbij de samenhang van dat gewricht wordt verstoord (arm uit de kom).
Probeer bij patiŽnten met een luxatie deze niet zelf te reponeren. Dit kan schade opleveren aan de gewrichtsvlakken en/of aan de banden. Ook is het mogelijk, dat een zenuw of bloedvat bekneld raakt. Roep daarom een arts.
Een luxatie is pijnlijk en levert een onbeweeglijk of een vreemd beweeglijk gewricht op. Luxatie gaat altijd gepaard met verschijnselen van verstuiking.
Bij luxaties zijn avulsie fracturen niet ondenkbaar. Daarom zal er een rŲntgenfoto gemaakt worden om eventuele fracturen aan gewichtsdelen te constateren.

 1.2.4.2 Op een EHBO

Soms kan de repositie op een EHBO plaatsvinden en zal de patiŽnt daarna met een drukverband naar huis kunnen gaan.
Indien repositie onder anesthesie nodig is, met eventueel hechtingen van kapsel en banden, wordt de patiŽnt opgenomen.

 1.2.4.3 Op het operatiekamercomplex

Help de patiŽnt met het overstappen van de brancard of operatietafel. Laat de patiŽnt zoveel mogelijk zelf bepalen welke houding het prettigste is (lees: het minste pijn doet) Beweeg het aangedane lichaamsdeel niet.

 1.2.4.4 Op langere termijn

Na een operatie zal het gewricht worden geÔmmobiliseerd met gipsverband, gipsspalk, verbanden en/of tape. Het gebruik van gips en tape is alleen mogelijk als er geen wond onder het gips of tape zit.
Wanneer de patiŽnt naar huis gaat, zal het gewricht waarschijnlijk nog geÔmmobiliseerd zijn met tape of iets dergelijks. Met behulp van fysiotherapie zal de patiŽnt dan verder weer in het gebruik van het gewricht worden getraind.

 1.2.5 Opname bij fracturen

 1.2.5.1 Invloed op de fysiologie bij fracturen

Fracturen ontstaan door het uitoefenen van excessieve kracht op het bot. Door deze kracht verbreekt de natuurlijke samenhang van het bot. Fracturen zijn er in veel typen. Vaak ziet men de volgende verschijnselen. De bijbehorende oorzaken staan erachter vermeld:
- Bloeding: Beenvlies of periost heeft veel vaten. Deze vaten scheuren en zo kan er in de fractuur een aanmerkelijk bloedverlies optreden. Dit uit zich in een zwelling of hematoom. Het bloedverlies hoeft niet direct aan de oppervlakte zichtbaar te zijn.
- Pijn: Periost heeft veel zenuwen. Deze geven pijnprikkels bij het over elkaar schuiven van de fractuurdelen of bij druk op de fractuurvlakken.
- Zenuwlesies: Zenuwbundels kunnen langs de scherpe, puntige randen van de fractuur worden doorgesneden. Dit geeft directe, en later moeilijk herstelbaar zenuwuitval.
- Verkorting: Door de tonus van de spieren die het bot omgeven, kan er bij een fractuur van een pijpbeen verkorting ontstaan.
Alle bewegingen doen het slachtoffer pijn. Wees voorzichtig met transport! Het slachtoffer zal zich niet bewegen en kan daardoor snel afkoelen.
Een gesloten fractuur kan als directe behandeling een drukverband krijgen om de bloeding in de fractuur te stelpen.
Er wordt gesproken van een open fractuur als er een wond in de huid is ter plaatse van de fractuur.

 1.2.5.2 Op een EHBO

Leg bij een open fractuur een steriel bedekkend verband aan om verdere contaminatie te voorkomen.
Transport: Laat het slachtoffer zelf het getroffen lichaamsdeel ondersteunen. Als dit niet kan, moet er voor worden gezorgd dat de fractuurdelen van elkaar worden getrokken. Vermijdt torsie van het getroffen lichaamsdeel.
Een verkeerde behandeling kan bij het slachtoffer misschien wel voor extra laesie van vaten of zenuwen zorgen. Dus: zorg voor tractie, zodat dit niet kan gebeuren.
Van een fractuur zullen altijd rŲntgenfoto's worden gemaakt. Op deze foto's moeten het gewricht zowel boven als onder de fractuur zijn afgebeeld. Dit om na te gaan of er in het getroffen lichaamsdeel sprake van nog een fractuur is.

 1.2.5.3 Op het operatiekamercomplex

Help de patiŽnt met het overstappen op de brancard of op de tafel. Laat ook nu de patiŽnt het getroffen lichaamsdeel zelf ondersteunen of weer: tractie! Denk hier ook aan bij het desinfecteren van de huid van het gebroken lichaamsdeel. Het is beter om bij een open fractuur geen desinfectans op alcoholbasis te gebruiken, dit necrotiseert de wondranden.

 1.2.5.4 Op langere termijn

De patiŽnt zal ter controle in het ziekenhuis blijven. Afhankelijk van de ernst van de fractuur zal na enige tijd ontslag met gips en/of fysiotherapie volgen. Bij zeer ingewikkelde fracturen kan een blijvende functiestoornis optreden. Elleboogfracturen zijn hierom berucht.

 1.2.6 Opname bij vergiftigingen

 1.2.6.1 Invloed op de fysiologie bij vergiftigingen via de longen

Hier zijn twee groepen te onderscheiden, te weten:
A Vergiftigingen die de luchtwegen aantasten.
B Vergiftigingen die direct invloed hebben op de celstofwisseling.
Vergiftigingen die de luchtwegen aantasten:
Dit soort vergiftigingen is vaak de oorzaak van oedeem in de bronchi en de bronchioli (oorlogsgassen, damp van insecticiden, denk aan Bhopal, India 1985).
Het oedeem verhindert de gaswisseling in de alveoli. Het vocht van dit oedeem treedt soms uit de weefsels en komt in de luchtwegen (zie ook bij verdrinken). Men noemt deze situatie ook wel eens 'droog verdrinken'. Het slachtoffer hoest en geeft in ernstige gevallen schuimend sputum op.
Vergiftigingen die de celstofwisseling beÔnvloeden:
Dit soort vergiftigingen hinderen de celstofwisseling. Koolmonoxide vergiftiging is hiervan waarschijnlijk het bekendste voorbeeld. De affiniteit van de erytrocyt tot koolmonoxide is circa tien maal groter dan de affiniteit tot zuurstof. Het koolmonoxide verhindert zo de opname van zuurstof en het slachtoffer kan overlijden aan zuurstofgebrek. Bij een vergiftiging met koolmonoxide heeft het slachtoffer een roze-rode kleur. Voor een vergiftiging met blauwzuurgas geldt dit ook. Dit in tegenstelling tot de andere gevallen. Het slachtoffer heeft wel een bewustzijnsstoornis.
Lachgas is ook giftig en gedraagt zich als een endorfine. Bewusteloosheid is hiervan een direct gevolg. Er zijn echter nog veel meer gassen die op enigerlei wijze invloed uitoefenen op de celstofwisseling in het lichaam.

 1.2.6.2 Hulpverlening

Directe hulp: Hulp op een EHBO:
Denk eerst om eigen veiligheid, gedeelde smart is hier dubbele smart!
Controleer ademhaling, bewustzijn en circulatie.
Zorg voor vervoer naar een ziekenhuis.
Arts (laten) roepen.
Controleer ademhaling, bewustzijn en circulatie.

 1.2.6.3 Behandeling

Directe behandeling: Behandeling op een EHBO:
Stop de toediening van gassen of haal het slachtoffer uit de ruimte waar het gas is vrijgekomen.
Bij adem- en/of circulatiestilstand: beademen of cardiopulmonaire resuscitatie.
Zo snel mogelijk naar een ziekenhuis vervoeren.
Dien zuurstof toe of beadem met zuurstof.
Zonodig cardiopulmonaire resuscitatie.

 1.2.6.4 Behandeling in een later stadium

Het slachtoffer zal waarschijnlijk worden opgenomen op een afdeling intensive care. Het kan hier gaan om observatie maar ook om behandeling. In ernstige gevallen zal deze behandeling bestaan uit beademing en medicijnen om het longoedeem weg te nemen en/of de giftige gassen uit de longen en de circulatie weg te wassen.

 1.2.6.5 Invloed op de fysiologie bij vergiftigingen via het maagdarm kanaal

Er is hier een analogie aan de vergiftigingen via de longen. We onderscheiden:
A Vergiftigingen die de toegangswegen naar de maagdarm tractus bedreigen.
B Vergiftigingen die op de celstofwisseling aangrijpen.
Vergiftigingen die de toegangswegen naar de maagdarm tractus bedreigen:
Dit zijn giften die etsend werken op de wanden van het maagdarm kanaal, zoals zuren, basen of hete vloeistoffen. Vooral kinderen zijn hier vaak het slachtoffer van, door bijvoorbeeld het drinken van schoonmaakmiddelen. Het gevolg is verbranding van slokdarm of maag met als resultaat stricturen of ulcera van de slokdarm.
Giffen die op de celstofwisseling aangrijpen.
Dit zijn in veel gevallen medicijnen in overdosis, zoals bij suÔcide pogingen of het geval waarin kinderen medicijnen voor snoep aanzien, of bestrijdingsmiddelen, bijvoorbeeld pesticiden die onbedoeld zijn binnengekregen.

 1.2.6.6 Hulpverlening

Directe hulp: hulp op een EHBO:
Zorg voor vervoer naar een ziekenhuis.
Neem de verpakking van het gif mee! Het is mogelijk dat het gif niet in de originele verpakking zit!
Controleer de vitale functies.
Zonodig ondersteunen.
Arts (laten) roepen.
Zoek alvast het telefoonnummer op van een vergiftencentrum.
Noteer naam en aard van het gif. Het is mogelijk dat het gif niet in originele verpakking zit!
Controleer de vitale functies.
Zonodig ondersteunen.

 1.2.6.7 Behandeling

Directe behandeling: Behandeling op een EHBO:
Verdun etsende vloeistoffen met water.
Niet laten braken! De stof etst dan twee maal.
In een aantal gevallen kan er melk worden gegeven, maar niet altijd.
Bij medicijnvergiftiging niet verdunnen! Dit zou de opname van het gif kunnen bevorderen.
Verdunnen met water.
Zo mogelijk een maagsonde inbrengen en dan afhevelen.
Bij medicijnvergiftiging: eerst maagsonde inbrengen en dan verdunnen en afhevelen.
Er is een vergiftenkaart bij elke apotheek verkrijgbaar met daarop de soort vergif en welke eerste hulp er dan moet worden geboden.

 1.2.6.8 Behandeling in een later stadium

Bij etsende stoffen krijgt het slachtoffer zeker een maagsonde en wordt dan ter observatie opgenomen. Als er stricturen optreden dan zal er in een later stadium bougissering (oprekken) van de slokdarm moeten plaatsvinden.
Bij medicijnvergiftiging kan er een antidotum worden gegeven als dit er is. Wanneer er geen antidotum bestaat kan de giftige stof soms door dialyse uit het bloed verwijderd worden.

 1.2.6.9 Invloed op de fysiologie bij vergiftiging via het bloed

In de meeste gevallen zal het hier gaan om slachtoffers van intraveneus gespoten harddrugs. Het middel zal zijn kenmerkende effect uitoefenen op de normale fysiologie van het lichaam. Voor de groep van opiaten geldt dat deze het ademcentrum, met name het ademfrequentie regelende deel, stillegt.

 1.2.6.10 Hulpverlening

Directe hulp: Hulp op een EHBO:
Zorg voor vervoer naar een ziekenhuis.
Controleer vitale functies.
Arts (laten) roepen.
Controleer vitale functies.
Leg alvast een antidotum klaar.

 1.2.6.11 Behandeling

Directe behandeling: Behandeling op een EHBO:
Ondersteun vitale functies zo nodig. Ondersteun vitale functies zo nodig.

 1.2.6.12 Behandeling in een later stadium

Bij ernstige uitval van vitale functies zal de patiŽnt worden opgenomen op een intensive care of cardio care.

 1.2.7 Opname bij elektrocutie

 1.2.7.1 Invloed op de fysiologie bij elektrocutie

Bij elektrocutie zijn er twee effecten op het slachtoffer waar te nemen:
- Diathermie met verbranding.
- Spiercontracties door zenuwstimulatie.
De diathermische effecten worden behandeld in het hoofdstuk verbranding.
Spiercontracties ontstaan doordat de elektrische stroom op zenuwvezels en op de receptoren van de spieren hetzelfde effect heeft als een prikkel vanuit het normale zenuwstelsel. Dit geeft een spiercontractie. Deze contractie kan de oorzaak zijn van blijven vastzitten van het slachtoffer aan de spanningvoerende geleider.
De effecten kunnen zijn:
- spier/peesblessure,
- langdurige contractie (tetanie),
Bij een langdurige contractie van de hartspier wordt deze inactief. Er ontstaat een circulatiestilstand.
De stroomstoot kan ook de regelmaat van het geleidingssysteem beÔnvloeden en zo het hart tot fibrilleren brengen.

 1.2.7.2 Hulpverlening

Directe hulp: Hulp op een EHBO:
Zorg voor eigen veiligheid! Schakel altijd de elektriciteit uit of maak kortsluiting.
Haal in andere gevallen het slachtoffer met een isolerend voorwerp van de geleider af.
Controleer vitale functies.
Zorg voor vervoer naar een ziekenhuis.
Arts (laten) roepen.
Controleer vitale functies.

 1.2.7.3 Behandeling

Directe behandeling: Behandeling op een EHBO:
Indien nodig: vitale functies ondersteunen. Indien nodig: vitale functies ondersteunen. Indien nodig: defibrilleren. De behandeling bij brandwonden wordt in een latere paragraaf besproken.

 1.2.7.4 Behandeling in een later stadium

Doordat elektrocutie op alle soorten spieren aangrijpt en veel mogelijke complicaties kent, zal er in ernstige gevallen een opname volgen op een intensive care of cardio care. Het hangt er van af welke effecten er op de voorgrond treden.
Van ritmestoornissen is een volledig herstel mogelijk. Bij verbrandingen (deze zijn vaak erg diep) zal er chirurgie en/of plastische chirurgie aan te pas moeten komen.

 1.2.8 Opname bij verbranding

 1.2.8.1 Invloed op de fysiologie bij verbrandingen

Verbrandingen worden ingedeeld in gradaties:
- Eerste graad:
Het weefsel reageert op de toegevoerde hitte in de vorm van een ontstekingsreactie: roodheid, zwelling, warmte, pijn en functieverlies. Dit zijn dezelfde reacties die zich bijvoorbeeld na een overmatig zonnebad voordoen. Later wordt de niet-functionele huidlaag afgestoten: vervellen.
- Tweede graad:
Het weefsel reageert met sterke oedeemvorming: blaren. Rondom het gebied ligt soms een ring van eerstegraads verbranding. Er bestaat ook een diepe tweedegraads brandwond; hierbij is er ook een uitval van de zenuwfunctie.
- Derde graad:
Het weefsel is gecoaguleerd (eiwitstolling zoals bij een gekookt ei) of verkoold. De zenuwfunctie is uitgevallen. Er kan om dit gebied heen nog een ring liggen met tweede- en eerste graad verbrandingen.
Van eerste- en tweedegraads verbrandingen is herstel mogelijk, hoewel er van tweede graad verbrandingen wel restverschijnselen kunnen zijn. Een derdegraads verbranding leidt tot een blijvend defect.
Doordat zenuwen lang blijven functioneren, zijn verbrandingen extreem pijnlijk.
Verbrandingen geven altijd veel vochtverlies. Bij het inademen van hete lucht of verbrandingsgassen kan longoedeem ontstaan.

 1.2.8.2 Hulpverlening

Directe hulp:
Zorg bij tweede- en derdegraads verbrandingen voor vervoer naar een ziekenhuis. Bij grote eerstegraads verbrandingen: naar huisarts en eventueel naar een ziekenhuis.
Controleer ademhaling en circulatie.
Roep een arts.
Controleer ademhaling en circulatie.

 1.2.8.3 Behandeling

Directe behandeling: Behandeling op een EHBO:
Afkoelen tot de 'brand' eruit is.
Ondersteun vitale functies.
Slachtoffer in een (gestreken) laken wikkelen.
Geen kleren uittrekken!
Steriel droog verband aanleggen.
Afkoelen met steriel water.
Ondersteun vitale functies!
Geen kleren uittrekken maar losknippen!
Droog verbinden.
Zuurstof toedienen indien nodig. Voorbereidingen treffen voor een infuus.

De arts beslist of er brandzalf of iets van dien aard gebruikt wordt. Eventueel tetanus profylaxe. Geen pijnbestrijding geven in verband met de priktest!

 1.2.8.4 Behandeling in een later stadium

Soms kan een slachtoffer na eventueel opbrengen van brandzalf en verband weer naar huis. Bij ernstiger verbrandingen wordt met behulp van de priktest de graad en de diepte van de verbranding bepaald. Bij de priktest moet het slachtoffer aangeven waar de grens van eventuele zenuwuitval ligt. Meestal volgt nu opname. De uitgebreidheid van de verbranding speelt hierbij een rol. De behandeling en verpleging van uitgebreide verbrandingen, is zeer intensief. Er zijn hiervoor gespecialiseerde brandwondencentra in Groningen, Rotterdam en Beverwijk.
Infectie voorkomen en bestrijden zijn belangrijke onderdelen van behandeling en verpleging. De patiŽnten krijgen mineralen, koolhydraten, vitaminen en eiwitten in grote hoeveelheden (hyperalimentatie). Vaak volgt er veelvuldige chirurgie en plastische chirurgie. De revalidatie is zeer uitgebreid en vaak langdurig. In bijna alle gevallen treden er restverschijnselen op (stricturen, littekens).

 1.2.9 Opname van multi trauma patiŽnten

 1.2.9.1 Wat is een multi trauma patiŽnt?

Een multi trauma patiŽnt is een slachtoffer van een ongeval met meer dan ťťn soort letsel of met ťťn soort letsel op verscheidene plaatsen. Bijvoorbeeld:

Auto-ongeval met: Bouwongeval met:
hersenletsel, miltruptuur, oogperforatie, onderbeenfractuur. bovenbeenfractuur, onderbeenfractuur, elleboogfractuur.

 1.2.9.2 Op een EHBO

Bij binnenkomst op een EHBO is het zaak het slachtoffer niet nodeloos te bewegen (hersenletsel, gebroken nek)! Controleer echter altijd de vitale functies en ondersteun deze zonodig. Beperk het bloedverlies door een drukverband of het afdrukken van de toevoerende arterie. Zorg er ook voor dat het slachtoffer niet teveel afkoelt.
De arts bepaalt de verdere behandeling. Verzamel gegevens van de patiŽnt, zoals:
ē Naam en leeftijd,
ē lengte en gewicht,
ē bloeddruk en pols.
Zorg dat het laboratorium op de hoogte is, zodat alvast bloed kan worden afgenomen ten behoeve van laboratoriumbepalingen. Licht de rŲntgenafdeling in zodat deze voorbereid is op het maken van eventuele foto's.Verricht de voorbereidingen tot het inbrengen van een infuus.
Als de patiŽnt wordt geopereerd, vervoer het slachtoffer dan snel maar voorzichtig. Bij overdracht aan het personeel van het operatiekamercomplex wordt alles vermeld wat bekend is over de toestand van de patiŽnt en andere bijzonderheden. Doe dit schriftelijk! Een overdracht hoeft niet mondeling te zijn.

 1.2.9.3 Op het operatiekamercomplex

In bijna alle gevallen zal bewegen het slachtoffer veel pijn doen! Vaak zal daarom eerst anesthesie worden gegeven voordat er verder pijnlijke handelingen worden verricht. Een patiŽnt met fracturen kan dan ook een reden zijn om soepel om te gaan met de hygiŽnische zonering op het operatiekamercomplex (verwijderen van de kleren).
Het slachtoffer kan nu aangesloten worden op de monitorende toestellen van de anesthesie. Deze helpen mee om de toestand van de patiŽnt te controleren.

 1.2.9.4 Op langere termijn

Dit hangt vanzelfsprekend af van de toegebrachte letsels.

 1.2.10 Opname bij bloedingen

 1.2.10.1 Invloed op de fysiologie van bloedingen

Bloedingen ontstaan als de vaatwand wordt geopend door welke oorzaak dan ook.
Bloedingen kunnen worden onderverdeeld in aderlijke en slagaderlijke bloedingen. Slagaderlijke bloedingen pulseren; dit is eventueel zichtbaar.
Een andere onderverdeling is die in inwendige en uitwendige bloedingen. Bij een uitwendige bloeding stroomt het bloed direct uit het lichaam naar buiten, bij een inwendige bloeding is de huid nog intact en blijft het bloed binnen het lichaam.
Inwendige bloedingen zijn vaak moeilijk te herkennen. Juist daardoor leveren zij een groot gevaar op voor het slachtoffer.
Zowel in- als uitwendige bloedingen kunnen het gevaar van shock en verbloeding opleveren.

 1.2.10.2 Op een EHBO

Bij patiŽnten met een verdenking van bloeding of met een duidelijke bloeding:
Regelmatig pols/tensiecontrole uitvoeren.
Bij een aantal bloedingen kan de bloeding tijdelijk tot staan worden gebracht door de aanvoerende slagader dicht te drukken. Dit kan bij een aantal inwendige bloedingen echter niet! Dit komt enerzijds omdat de juiste plaats van de bloeding moeilijk is te bepalen, anderzijds doordat de juiste plaats voor het dichtdrukken van de arterie niet is te bereiken.
Een andere mogelijkheid is het dichtdrukken van de wond op de plaats van de bloeding. Vooral bij aderlijke bloedingen is dit van toepassing. Denk erom dat slachtoffers van bloedingen niet uitsluitend via een EHBO binnen komen, overeenkomstige situaties kunnen ook ontstaan tijdens een operatie (ligatuur glijdt af)!
Hier volgen een aantal bloedingen en de plaatsen waarop deze, door druk uit te oefenen, kunnen worden gestelpt.
Hoofdhuid Plaatselijk druk uitoefenen
Lip Links en rechts van de wond de slagader in de lip dichtdrukken
Hals Plaatselijk druk
Bij bloedingen in het hoofd- halsgebied niet de carotis dichtdrukken! De bloeding stopt wel, maar er treedt een zuurstoftekort op in de hersenen, met als gevolg: hersenbeschadiging.
Carotisbloeding Plaatselijk druk uitoefenen
Arm Onder de biceps de arterie dichtdrukken. Op de operatiekamer: leg bloedleegte aan.
Hand Arteria radialis en ulnaris dichtdrukken.
Vingers Handen vouwen met gestrekte vingers en dan de vingers tegen elkaar knijpen.
Voor alle andere plaatsen geldt: plaatselijk druk uitoefenen.
Borst en rug Plaatselijk druk uitoefenen.
Milt (inwendig) Met een vuist onder de linker ribbenboog, schuin omhoog en naar achteren drukken (zo wordt de aorta dicht gedrukt, het slachtoffer zal dit als pijnlijk ervaren).
Aorta-aneurysma idem.
Nierruptuur, longruptuur, leverruptuur, oesophagusbloeding, maagbloeding: snel naar het ziekenhuis en opereren.
Bloeding uit het rectum Met twee vuisten boven de navel recht naar achteren drukken.
Been
Voet Arteria dorsalis pedis bij de enkel dichtdrukken of plaatselijk druk uitoefenen.

 1.2.10.3 Op het operatiekamercomplex

Blijf zolang als dat mogelijk is op de bovengenoemde plaatsen drukken, totdat er een vaatklem kan worden geplaatst.
Bij plotselinge bloedingen tijdens operaties: neem de toevoerende arterie tussen duim en wijsvinger en knijp deze dicht. De vingers zijn de beste soort atraumatische vaatklem die er bestaat. De anatomie moet wel goed bekend zijn!

 1.2.10.4 Op langere termijn

Afhankelijk van de plaats en de grootte van het vat is er de keus tussen ligeren of een anastomose met een vaathechting.
Veel aderlijke bloedingen kunnen met een ligatuur worden verholpen. De meeste slagaderlijke bloedingen worden met een vaathechting hersteld. Dit kan soms aanleiding zijn om een microscoop te gebruiken wanneer het om een heel klein vat gaat. Gaat het echter om ťťn van meer toevoerende arteriŽn, dan wordt ook wel eens een ligatuur aangelegd.
De patiŽnt zal worden opgenomen zodat er postoperatief gecontroleerd kan worden op nabloedingen. Meestal zal deze opname plaats vinden op een intensive care.

 1.2.11 Opname bij oogletsels

 1.2.11.1 Invloed op de fysiologie bij oogletsels

Bij oogletsels is de diepte van het letsel van belang. Er zijn drie niveaus te onderscheiden:
- Letsel van cornea en voorste oogkamer.
- Letsel van de lens.
- Letsel van de achterste oogkamer met verlies van glasvocht.
Cornealetsel en letsel aan de voorste oogkamer kunnen later vertroebeling van de cornea opleveren en dientengevolge blindheid. Draag bij slijpen, hakken enzovoort dus een veiligheidsbril! Bij letsel van de voorste oogkamer verliest het slachtoffer ook het kamerwater. Dit kan aanleiding geven tot een veranderde drukhuishouding in het oog.
Letsel van de lens leidt vaak tot vervorming van de lens en/of cataract. Soms kan een kunstlens uitkomst bieden, maar lang niet in alle gevallen.
Letsel van de achterste oogkamer met verlies van glasvocht is een bijna hopeloze zaak. Er moet rekening mee gehouden worden dat het oog niet meer te redden is.
Oogperforaties geven een dusdanige vagale prikkel, dat de darmen acuut stilliggen. Deze vagale prikkel kan voor een asystolie zorgen.

 1.2.11.2 Op een EHBO

Blijf in alle gevallen van het oog af en laat de patiŽnt van het oog afblijven! Het verwijderen van vreemde lichamen moet door een oogarts gebeuren. Deze kan met een microscoop zien wat de gevolgen zijn van zijn handelingen.

 1.2.11.3 Op het operatiekamercomplex

Ook hier geldt: blijf van het oog af en laat de patiŽnt van het oog afblijven. Laat de patiŽnt niet alleen en controleer de hartfrequentie. Een vagale reflex kan namelijk ook aanleiding geven tot hartstilstand.

 1.2.11.4 Op langere termijn

PatiŽnten met oogletsel worden opgenomen op de afdeling oogheelkunde of op een chirurgische afdeling. Bij complicaties ten gevolge van een vagale reflex is opname op een intensive care mogelijk.

 Doelstellingen

De student kan van het beschreven ongeval de hulpverlening ter plaatse en de hulpverlening op een EHBO weergeven.
De student kan bij het ongeval weergeven welke manipulaties wel en beslist niet kunnen worden gedaan.
De student kan voor het ongeval de ondersteuning van de eerste hulp op de operatiekamer weergeven.
De student kan van het ongeval de mogelijke behandeling weergeven.

terug naar het begin van dit hoofdstuk
terug naar de inhoudsopgave

 2 Preoperatieve onderzoeken

Bladwijzers:
2.1 De ontwikkeling van het preoperatieve onderzoek
2.2 De onderzoeken

2.2.1 Laboratoriumonderzoeken
2.2.1.1 Urineonderzoek, 2.2.1.2 Bepalingen, 2.2.1.3 Hematologisch onderzoek, 2.2.1.4 Bepalingen, 2.2.1.5 Bloedchemie, 2.2.1.6 Bepalingen

2.2.2 Functieproeven
2.2.2.1 Longfunctie
Doelstellingen

 2.1 De ontwikkeling van het preoperatieve onderzoek

In de begindagen van de chirurgie verrichtte men geen preoperatieve onderzoeken. De patiŽnt was er gewoon beroerd aan toe en werd geopereerd. In die dagen kon de patiŽnt kiezen uit twee kwaden: men ging dood aan de kwaal of men ging misschien dood aan de operatie. Dat een aantal patiŽnten voor een operatie kozen was omdat dit sommigen had geholpen. Maar het zou ook kunnen, dat deze patiŽnten het zonder operatie ook hadden gered.
Met de invoering van de aseptische techniek door Lister wordt het operatierisico een stuk minder: 10% in plaats van 50% van de patiŽnten overlijden aan sepsis en 50% in plaats van 90% krijgt een infectie. In de loop van de twintigste eeuw verbeteren deze cijfers aanzienlijk.
De anesthesiologie levert een verdere bijdrage aan het verminderen van het operatierisico. Men opereerde aanvankelijk alleen jonge patiŽnten, aangezien deze beter de primitieve anesthesieŽn van die tijd konden doorstaan. Hier zien we al kenmerken van het eerste preoperatieve onderzoek: leeftijd. Nu worden er ook oudere patiŽnten geopereerd.
De anesthesioloog wil echter niet dat al zijn patiŽnten aan de anesthesie komen te overlijden en dus moet er preoperatief worden onderzocht of de patiŽnt geen 'onderliggende' kwalen heeft boven die waaraan hij of zij geopereerd gaat worden.
Kortweg kan gezegd worden: de snijdend specialist doet preoperatieve onderzoeken om de diagnose te kunnen stellen, de anesthesioloog doet preoperatieve onderzoeken om het behandelingsrisico te bepalen en te verkleinen.

 2.2 De onderzoeken

Er zijn verschillende soorten onderzoeken en er zijn verschillende soorten specialisten die benieuwd zijn naar de uitslag van dat onderzoek. Een voorbeeld: men zou een onderzoek kunnen aanvragen naar de toestand van het gebit van een patiŽnt. Als 'aanvrager' van dit onderzoek komt zowel de anesthesioloog als de kaakchirurg in aanmerking.
We kennen de volgende soorten onderzoeken:
Lichamelijk:   Bloeddruk, houding, palpatie, percussie, huidinspectie, scopieŽn
Laboratorium:   Urine, bloed, feces, elektrolyten, pathologisch-anatomisch, bacteriologisch.
Functieonderzoek:   ECG, EEG, longfunctie, mictie, inspanningscardiogram.
Beeldvormend:   Echografie, rŲntgenonderzoek, tomografie, isotopenscan.
In dit hoofdstuk zullen een aantal van de laboratorium-, functie- en de beeldvormende onderzoeken worden besproken. Er zal worden ingegaan op het waarom van de aanvraag en wie de aanvraag doet.

 2.2.1 Laboratoriumonderzoeken

 2.2.1.1 Urineonderzoek

Met het urineonderzoek kan onder meer worden bepaald of de patiŽnt nierfunctiestoornissen heeft. Uit de urine kan bijvoorbeeld naar voren komen dat er sprake is van een urineweginfectie.
Nierfunctiestoornissen zijn vooral voor de anesthesioloog en de uroloog belangrijk. Voor de uroloog kunnen de uitslagen van dit onderzoek bepalend zijn voor het instellen van een bepaalde therapie. Voor de anesthesio-loog is de nierfunctie belangrijk omdat een deel van de medicatie via de nieren wordt uitgescheiden. Bij een slechte nierfunctie kan hij bijvoorbeeld te maken krijgen met overvulling van de circulatie door de toegediende infuusvloeistof.
Urineweginfecties kunnen leiden tot postoperatieve complicaties voor de snijdend specialist (niet alleen de uroloog!). De infectie moet eerst worden behandeld voordat de patiŽnt kan worden geopereerd.

 2.2.1.2 Bepalingen

ē Sediment.
Door de urine te centrifugeren ontstaat een sediment. Wanneer er in dit sediment leukocyten en micro-organismen aanwezig zijn, bestaat de verdenking op urineweginfectie.
ē Eiwitten.
Wanneer er eiwitten in de urine worden gevonden, kan dit wijzen op verlies van de filtratiefunctie van de niermembraan.

 2.2.1.3 Hematologisch onderzoek

Bij het hematologisch onderzoek krijgt de aanvrager een indruk van de zuurstoftransportcapaciteit van het bloed. Ook wordt de bloedgroep bepaald.
Vooral de anesthesioloog is benieuwd naar deze uitslagen maar ook een gynaecoloog en de algemeen chirurg of internist kunnen uit deze uitslagen soms opmaken of er bijvoorbeeld sprake is van slecht te constateren in- of uitwendig bloedverlies van de patiŽnt.

 2.2.1.4 Bepalingen

ē Hemoglobine en hematocriet.
In principe geldt, hoe meer hemoglobine een patiŽnt heeft, hoe groter de zuurstoftransportcapaciteit is. Een laag hemoglobine gehalte kan wijzen op een al langer bestaand bloedverlies (bloedarmoede).
Het hematocriet is de volumeverhouding van de erytrocyten ten opzichte van het totale bloed. Het bloed bestaat voor een groot deel uit water. Een hoge hematocriet ten opzichte van het hemoglobinegehalte kan wijzen op uitdroging. Een lage hematocriet kan wijzen op het vasthouden van veel vocht en dat geeft weer kans op overvulling van het vaatbed.
ē Bloedgroep.
Wanneer er een wond wordt gemaakt, moet men rekening houden met bloedverlies in meer of mindere mate. Is dit bloedverlies groot dan kan een transfusie nodig zijn. Indien de bloedgroep dan nog moet worden bepaald, dan wordt het haasten. Daarom kan dit beter van tevoren gebeuren.

 2.2.1.5 Bloedchemie

Uitslagen in de bloedchemie kunnen aangeven of er een gevaar bestaat voor het verlies van contractiekracht van het hart of andere spieren. Eveneens kan de opnamecapaciteit van de darmen voor deze stoffen worden beoordeeld. Ook geeft het een beeld van de vulling van het vaatbed en de opname van zuurstof en de afgifte van koolzuur.

 2.2.1.6 Bepalingen

ē Elektrolyten. Natrium, kalium, chloor en calcium hebben we nodig voor de celstofwisseling. Kalium is van grote invloed op de geleiding van de prikkels voor de contractie van het hart. Calcium is van invloed op de contractiekracht van de hartspier (en andere spieren). Natrium kan veel vocht vasthouden en de vulling van het vaatbed beÔnvloeden.
De aanwezige hoeveelheid van deze elektrolyten geven aan of er in de darm wel genoeg van wordt opgenomen. Bijschildklieren regelen het calcium, de nieren het natrium, kalium en chloor. Afwijkingen in deze organen geven afwijkende uitslagen en vragen dan om nader onderzoek. Een anesthesioloog zal niet graag anesthesie geven aan een patiŽnt die door een laag calciumgehalte een te geringe pompkracht van het hart heeft. Operaties aan de darmen, maar ook afwijkingen aan de darmen geven altijd verstoring van de elektrolyten. Chirurg, anesthesioloog, internist en cardioloog zullen hiermee in hun postoperatieve beleid op het gebied van infusie rekening moeten houden.
ē Bloedgaswaarden.
Uit de hoeveelheid zuurstof en koolzuur in het bloed kan worden opgemaakt of de ademhaling van de patiŽnt nog in orde is. Het ligt voor de hand dat anesthesiologen, longartsen en behandelaars van beademingspatiŽnten hier veel over willen weten.
ē Ureum- en creatininegehalte.
Deze geven een eerste indruk van de nierfunctie. Bij een afwijkende waarde zal er worden overgegaan tot een creatinineklaringsonderzoek. Bezinkingssnelheid der erytrocyten - BSE
Infecties en carcinomen geven een verhoogde bezinkingssnelheid van de erytrocyten. Infecties en carcinomen kunnen zich op deze manier verraden, zonder dat zij deze duidelijk aan de 'buitenkant' te zien zijn.
ē Bepaling van de BSE
Bloed wordt met een anticoagulans gemengd en opgezogen en in een lange gekalibreerde buis. Na 1 uur wordt gekeken hoever de erytrocytenkolom is gedaald. De snelheid van het uitzakken van de erytrocyten is vooral afhankelijk van de eiwitsamenstelling van het plasma.

 2.2.2 Functieproeven

 2.2.2.1 Longfunctie

De anesthesioloog, longarts en longchirurg hebben belang bij de uitslagen van deze onderzoeken. De anesthesioloog voornamelijk omdat hij de ademhaling soms uitschakelt en omdat een deel van de anesthetica via de longen wordt opgenomen (lachgas, dampen van Isoflurane, Sevoflurane etc.). Hij wil weten of hij met een patiŽnt te doen heeft waarvan de longen goed functioneren.
De longarts en longchirurg hebben longfunctieproeven nodig om te bepalen of het wel mogelijk is te opereren.
Door longfunctiebepaling kan niet alleen de inhoud van de longen worden gemeten (spirometrie), maar ook de doorgankelijkheid van de luchtwegen en de verhoudingen tussen geventileerd volume en de dode ruimte.
Volumebepalingen:
Vitale capaciteit, inspiratoire reservecapaciteit, expiratoire reservecapaciteit, ademvolume.
Doorgankelijkheidbepalingen:
ē Peakflow (maximale snelheid van de uitgeblazen lucht).
Opsporen van bronchitis.
ē Eťn- seconde- waarde (de hoeveelheid lucht die in ťťn seconde kan worden uitgeblazen).
Opsporen van bronchitis, astma, emfyseem.
Elektrocardiogram - ECG
Anesthesioloog, cardioloog en internist hebben hiervoor belangstelling. Wanneer het gaat om een preoperatief ECG, dan hangt dat meestal samen met de leeftijd (bijvoorbeeld: iedereen boven de vijftig jaar krijgt een ECG). Dit is niet in elk ziekenhuis hetzelfde.
Het ECG geeft de elektrische geleiding in het hart weer. Een hartinfarct kan hierin verandering brengen en soms spoort men dan ook min of meer toevallig een doorgemaakt hartinfarct bij iemand op.
Er wordt een ECG gemaakt met twaalf afleidingen. Door deze twaalf afleidingen is men geÔnformeerd over de prikkelgeleiding naar bijna alle zijden van het hart.
Beeldvormende onderzoeken
ē Thoraxfoto
Een preoperatieve thoraxfoto is ook niet in elk ziekenhuis standaard. Luchtweginfecties zoals TBC, pneumonieŽn maar ook emfyseem en hartafwijkingen zijn op een thoraxfoto te zien.
ē Bepalingen
Op de rŲntgenafdeling wordt een thoraxfoto gemaakt. De radioloog beoordeelt deze foto.
ē Echografie
Wanneer een patiŽnt wordt verdacht van een bepaald proces in een holte, dan kan dit worden opgespoord met behulp van echografie.
Bepalingen
Met behulp van geluidsgolven wordt een onderzoek gedaan. Zo kan bijvoorbeeld een foetus in een uterus worden bekeken. Ook is het mogelijk galstenen te zien die niet op een rŲntgenfoto zichtbaar zijn. Met behulp van deze techniek kan ook een cyste van een vaste tumor worden onderscheiden.
ē Isotopenscan
Bij een patiŽnt wordt een radioactieve isotoop ingespoten. Wanneer deze isotoop zich op een bepaalde plaats lokaliseert, kan men dat laten zien met behulp van een gammacamera.
Bepalingen
Hyper- en hypofunctie van de schildklier kunnen hiermee worden aangetoond. Er wordt dan een radioactieve isotoop van het element Jodium ingespoten en dit verzamelt zich in de schildklier.
Sommige kwaadaardige aandoeningen in botten kunnen worden opgespoord door een radioactieve calciumisotoop in te spuiten. Met de gammacamera kunnen dan de actievere delen in het bot (de tumoren) zichtbaar worden gemaakt.
Andere beeldvormende technieken
Met de komst van de computer is er tegenwoordig veel meer mogelijk op het gebied van de beeldvormende technieken. Er zijn CT-scans, magnetic resonance imaging (MRI, in de Verenigde Staten noemt men dit nuclear magnetic resonance, NMR), digitale subtractie angiografie en vele andere. Het is zelfs mogelijk met behulp van de computer driedimensionale beelden te vormen! Dit laatste kan zijn toepassing vinden bij plastisch- chirurgische ingrepen.

 Doelstellingen

De student kan de belangrijkste preoperatieve onderzoeken noemen.
De student kan de betekenis van preoperatieve onderzoeken voor de diverse medische disciplines weergeven.

terug naar het begin van dit hoofdstuk
terug naar de inhoudsopgave

 3 Voorbereiding op de operatie (Okť voor OKŠ) en de postoperatieve periode

Bladwijzers:
3.1 Nuttige informatie bij een ziekenhuisopname

3.2 Het OK-dossier (OKť voor OKa)
3.2.1 Preoperatieve vragenlijst, 3.2.2 Preoperatief infoblad, 3.2.3 Postoperatief infoblad

3.3 Voorbereiding op de postoperatieve periode
3.3.1 Plaats van 'wakker worden', 3.3.2 Infusen, 3.3.3 Wondcontrole en drains, 3.3.4 Postoperatieve pijn, 3.3.5 Postoperatief verblijf op intensive care

Doelstellingen

 3.1 Nuttige informatie bij een ziekenhuisopname

Figuur 2: 'De Vries is er klaar voor.'
'De Vries is er klaar voor.'

Om alles vlot te laten verlopen wordt de patiŽnt gevraagd de volgende punten in acht te nemen:
* U gelieve zich te melden bij de afdeling opname om ........ uur.
* Niet nuchter./* Nuchter te zijn, dit wil zeggen niets eten of drinken vanaf middernacht.
* Het operatiegebied (bijvoorbeeld: voet, elleboog) zo schoon mogelijk te houden.
* De avond voordien en 's morgens een douche/bad nemen.
Het is misschien nuttig te weten dat men op de verpleegafdeling zal vragen:
Uw horloge, ringen en/of sieraden af/uit te doen.
Make-up of nagellak te verwijderen.
Kunstgebit en/of contactlenzen uit te nemen.
Eventuele overgevoeligheid voor pleister, rubber, jodium of bepaalde geneesmiddelen mede te delen aan de anesthesioloog en de verpleegkundige.
Belangrijke aanbevelingen:
Zes uur voor de operatie niet meer eten of snoepen.
Tot twee uur voor de operatie drinken van heldere vloeistoffen
Acht weken voor de operatie niet meer roken.
Verwijderen in de kamer van: kunst- en hulpmiddelen (kunstgebit, bril, hoorapparaat, contactlenzen), ringen, haarspelden, kammen etc. De dames zullen zich onthouden van: alle make-up (vooral geen lipstift of nagellak) en alle knellende kledingstukken, mouwen of bh.

 3.2 Het OK-dossier (OKť voor OKa)

In afspraak met de specialist wordt de patiŽnt in het ziekenhuis opgenomen voor een operatie. De patiŽnt wordt voorbereid op een verpleegafdeling door een team van zorgverstrekkers. Het feit dat meerdere verpleegkundigen meewerken aan ťťn patiŽnt deelt hun verantwoordelijkheid. Een probleem dat zich dan vaak voordoet is de verantwoordelijkheid van de individuele verpleegkundige. Het invoeren van een checklist zou dit kunnen verhelpen. Een verpleegkundige vult de lijst in en tekent op persoonlijke titel. Zijn of haar naam op het preoperatief infoblad verpersoonlijkt de zorgverstrekking. Het invoeren van een rubriek verantwoordelijke verpleegkundige biedt verder de mogelijkheid, ingeval van tekortkomingen contact op te nemen en bijsturing te doen plaats vinden. Een drieluik in de vorm van een: preoperatieve vragenlijst, een pre-operatief infoblad, en een postoperatief infoblad, zorgt dan voor alle patiŽnteninformatie die nodig is voor het zorgproces op het OKcomplex.
Preoperatieve vragenlijst anesthesiologie
Door de afdeling anesthesiologie wordt een preoperatieve vragenlijst verstrekt aan de patiŽnten. Dit formulier blijft strikt vertrouwelijk. Wanneer de patiŽnt zelf niet in staat is deze vragen te beantwoorden, wordt aan begeleidende personen gevraagd dit voor hem of haar te doen.

 3.2.1 Preoperatieve vragenlijst

Naam:
 
 
Geboortedatum:
 
Of plak hier de plakker met de patiŽntgegevens.
Logo
Gewicht: kg
1. Heeft u eerder anesthesie gehad?
Zo ja, wanneer (ongeveer)
 
Waarvoor?
 
Zijn hierover bijzonderheden te vermelden?
 
ja    nee
2. Bent u eerder opgenomen geweest in een ziekenhuis?
Zo ja, waarvoor?
ja    nee
3. Bent u momenteel onder behandeling of onder controle van een arts of specialist? Zo ja, wie?
 
Waarvoor?
 
 
ja    nee
4. Gebruikt u medicijnen
Zo ja, welke?
Gebruikt u bloedverdunnende medicijnen?
ja    nee
 
ja    nee
5. Bent u overgevoelig voor bepaalde medicijnen?
Zo ja, welke?
ja    nee
 
6. Heeft u last van kortademigheid of langdurig hoesten?
Zo ja, bent u hiervoor onder behandeling?
ja    nee
ja    nee
7. Heeft u de laatste jaren geelzucht gehad?
Zo ja, bent u hiervoor nog onder behandeling?
ja    nee
ja    nee
8. Komen er in de familie spierziektes voor? ja    nee
9. Kent u reeds uw bloedgroep?
Zo ja, welke?
ja    nee
10. Gebruikt U...?
a. Tabak?
b. Alcohol?
c. Harddrugs?
 
ja    nee
ja    nee
ja    nee
11. Heeft u verder nog opmerkingen over uw gezondheid?
Zo ja, welke?
ja    nee
In te vullen door de verpleging: Pols:      Bloeddruk:      /      

 3.2.2 Preoperatief infoblad

Naam:
 
 
Geboortedatum:
 
Of plak hier de plakker met de patiŽntgegevens.
Logo
Datum: ........................................................
Operatie: ............................................................
Gewicht: ....kg
Avondmedicatie:
Premedicatie:
   mg Slaapmiddel p.o, om   uur
   mg Atropine im / p.o, om   uur
   mg Tranquillizer im / p.o, om   uur
Wenst na de operatie door behandelend arts gebeld te worden partner / naast familielid Naam:
Telefoonnummer:
Algemene voorbereiding Verpleegkundige Paraaf:
Algemene hygiŽne: patiŽnt en bed    
Controle hoofdhaar, handen, voeten, navel    
Verwijdering make-up, nagellak    
Operatiekleding    
Specifieke voorbereiding  
Scheren operatiegebied Laatst geŁrineerd om     uur
Blaaskatheter Maagsonde
Begeleiding patiŽnt
Medisch dossier anesthesievragenlijst
Lab uitslagen elektrocardiogram
Bloedgroepkaart bloed besteld om            aantal:
RŲntgenfoto's evt. medicatie:
toebehoren:
dekenboog
extensie
spuitenpomp
Opmerkingen
Medische aandachtspunten:
 
 
 
 
Allergie:
 
 
 
 
Verpleegkundige aandachtspunten:
 
 
 
 

 3.2.3 Postoperatief infoblad

Naam:
 
 
Geboortedatum:
 
Of plak hier de plakker met de patiŽntgegevens.
 
 
Datum: .....................................................
Logo
Operatie: begin tijd:..... eind tijd:..... duur: .... min.
Verkoeverperiode: begin tijd:..... eind tijd:..... verkoeverduur: .... min.
Verantwoordelijken:
Chirurg: ........................................ Assistent(e): ...................................... Instrumenterende: ...................................... Omloop: ......................................
Gazen, kompressen en instrumentarium geteld door: ........................................................................................
Anesthesioloog: ........................................ Anesthesie-assistent: ...................................... Verkoeververpleegkundige: ......................................
Anesthesie techniek:
Algehele anesthesie
Regionaal:
Spinaal, punctieplaats:..... Blokhoogte:..... Epiduraal, punctieplaats:..... Blokhoogte:.....
Plexus blokkade:
Brachialis    Interscalene    Axillair    Obturatorius
Femoralis    Psoas compartiment    Ischiadicus    Penisstam blok
Anesthesie verloop:
ongecompliceerd
bijzonderheden:
Maagsonde CH.: .... urinekatheter CH.: ....
Wonddrain(s); aantal: .... actief passief; soort:.................
Sumpdrain(s); aantal: .... zuigflow: ..... lit/min.
Thoraxdrain(s) wonddrain luchtdrain instelling zuigdruk: ..... cm H2O
Bij pijn: Piritramide i.m.: .... mg
NSAID: .... mg
Paracetamol: .... mg
Bij braken/misselijkheid: Alizapride i.m. .... mg
Ondansetron i.v. 4mg (na overleg)
Dehydrobenzperidol i.v. 1,25mg (na overleg)
Infuus: I Infuus: II
antibiotica:    
zuurstof:..... lt/min per: neussonde zuurstofmasker
Voedingsrichtlijnen: drinken vanaf; voeding vanaf;
Ligging:
 
Opmerkingen:
 

 3.3 Voorbereiding op de postoperatieve periode

 3.3.1 Plaats van 'wakker worden'

Veel operatiepatiŽnten worden 'in slaap gemaakt'. Ook als dit niet het geval is, krijgen zij toch vaak een sedativum om wat te 'slapen'. Dit sedativum kan al in de premedicatie zitten. Veel patiŽnten zullen dan ook op de verkoeverkamer wakker worden.
De 'nevelen' van de narcose of sedatie maakt het voor hen vaak onmogelijk zich goed te oriŽnteren. Soms ervaren zij dit als erg vervelend. De toestand tussen waken en slapen en daar maar niet goed doorheen kunnen breken kan aanleiding geven tot verwardheid, agressief gedrag of onbedaarlijke huilpartijen.
Soms lijkt het erop dat een patiŽnt redelijk wakker is, terwijl vervolgens blijkt dat deze patiŽnt zich later niets van het verblijf op een verkoeverkamer kan herinneren. Het kan voorkomen dat een patiŽnt in een gesprek dingen vertelt die niet voor andermans oren zijn bedoeld. In dit soort omstandigheden moet men bedenken dat er een geheimhoudingsplicht bestaat!
Een patiŽnt moet hierover worden ingelicht. Hierbij hoeven niet alle schrikbeelden te worden verteld. Laat de patiŽnt weten dat hij/zij daar ook op emotionele privacy kan rekenen.

 3.3.2 Infusen

Een infuus is vaak voor een patiŽnt een gewichtige zaak. Voor een patiŽnt in de situatie tussen waken en slapen kan het een dwingeland zijn waaraan de patiŽnt bij elke beweging weer wordt herinnerd.
En als het niet het trekken van het infuussysteem is, dan is het wel het verkoeverkamerpersoneel dat wil dat 'het infuus goed loopt' en de patiŽnt aanspoort te blijven stilliggen.
In een aantal gevallen wordt er met de patiŽnt overlegd aan welke kant het infuus zal komen. Vaak zorgt het besef een infuus te krijgen ook dat de patiŽnt er postoperatief minder last van heeft.

 3.3.3 Wondcontrole en drains

Na de operatie vindt controle plaats op nabloeding. Wanneer de operatiewond zich onder de dekens bevindt, zullen op de verkoeverkamer de dekens regelmatig worden teruggeslagen voor de wondcontrole.
Veel patiŽnten vinden drains angstig. Dit wordt nog eens versterkt doordat het bewegen van een drain tot in het lichaam (thoraxdrainage is hieron berucht) kan worden gevoeld. Op deze manier wordt een drain een nog grotere dwingeland dan een infuus. Een drain kan een reden zijn een patiŽnt in bed te houden, omdat er geen mogelijkheid is de patiŽnt met die drain te mobiliseren. In zo'n geval immobiliseert een drain de patiŽnt dan nog sterker dan de operatie, bijvoorbeeld in het geval van een sumpdrain die wordt aangesloten op een vacuŁmpomp.
Meer over drainage in de module: OZT-Wondverzorging & Wonddrainage

 3.3.4 Postoperatieve pijn

Over het algemeen wachten patiŽnten lang met het vragen om pijnstilling na een operatie. 'Over pijn praat je niet, pijn draag je'. De postoperatieve pijn en de consequenties op langere termijn, wordt door de patiŽnten onderschat. De preoperatieve voorlichting over de mogelijkheden en de medicatie voor postoperatieve pijnstilling is vaak ontoereikend. De eerste 24 uur is de anesthesioloog verantwoordelijk voor de pijnmedicatie, daarna wordt dit overgenomen door de behandelend specialist.
Meer over pijnbestrijding in de module: PZT-Perioperatieve pijnbestrijding

 3.3.5 Postoperatief verblijf op intensive care

Bij grote ingrepen, waarbij de patiŽnt postoperatief gedurende langere tijd in een kritieke toestand verkeert, wordt de patiŽnt niet teruggebracht naar de afdeling, maar naar een intensive care afdeling. Dit zal zeker het geval zijn als de patiŽnt wordt nabeademd. De patiŽnt moet hierover van tevoren worden ingelicht. Dit geldt zeker als het gaat om nabeademing. Ten gevolge van een ingebrachte tube zal de patiŽnt niet kunnen praten. Dit kan een paniekgevoel oproepen. De voorlichter kan dan meteen vertellen over de mogelijkheden voor de patiŽnt om te communiceren met de verzorgenden en het bezoek.

 Doelstellingen

De student kan de aandachtspunten bij een ziekenhuisopname formulier beargumenteren.
De student kan de aandachtspunten in een anesthesiologische vragenlijst beargumenteren.
De student kan de aandachtspunten bij een preoperatief infoblad beargumenteren.
De student kan de aandachtspunten bij een postoperatief infoblad beargumenteren.
De student kan de onderdelen van de patiŽntenvoorlichting met betrekking tot de postoperatieve periode noemen.
De student kan de voorbereidingen op de postoperatieve periode benoemen.

terug naar het begin van dit hoofdstuk
terug naar de inhoudsopgave

 Bronnen

Auteur(s) Titel, uitgever
Pol S. van der OZT-Verkoeverkamer.
VERES Publishing Oosterbeek, ISBN10 90-801578-8-0, 2e druk 2000
Reekum. J. van OZT-Grondbeginselen.
VERES Publishing Oosterbeek, ISBN10 90-801578-2-1, 1e druk 1993
Titchenell. Elsa-Brita De Maskers van Odin
©2011 Theosophical University Press Agency, ISBN 978-90-70328-93-1

terug naar het begin van dit hoofdstuk
terug naar de inhoudsopgave