Bouw en inrichting

home > terug naar module overzicht > OZT-Bouw en inrichting

Heimdal, de witte god

De goden in de Noordse mythologie werden niet met veel respect bejegend, niet door de mensen maar ook niet onderling. Het lijkt er in eerste instantie op dat respect wordt afgedwongen door onverschrokkenheid en moed en dat dit naar voren komt in gewelddadigheid. In de grond van de zaak wordt respect echter verdiend door het vertellen van verhalen en daarbij geldt: hoe sterker het verhaal, des te beter de verteller. Hierdoor komt vaak de gewelddadigheid in de Noordse mythologie op de voorgrond te staan, terwijl eigenlijk de verteller met het verhaal op de voorgrond staat.
Heimdal bewaakt de toegang tot de godenwereld. Aangezien hij in de toekomst kan kijken, hoeft hij niet altijd waakzaam te zijn, hij weet toch al wanneer er wat staat te gebeuren. Hij kan zijn rug daarom naar de wind en regen of sneeuw keren en de beschutting van zijn dikke kleding gebruiken. Deze eigenschappen maken hem tot de wachter van de godenwereld, zijn huis staat aan het begin van de brug 'Bifröst' (de regenboogbrug) die de gewone wereld met de godenwereld verbindt. Bij gevaar blaast hij op zijn hoorn om de goden te waarschuwen.
Loki is een onruststoker en houdt een respectloze scheldrede (de Lokasenna) tot de goden waarin hij hun zwakke punten naar voren brengt en ze diep beledigd. Heimdal krijgt vanwege zijn functie ook een sneer en Loki zegt dat hij een 'vuile rug' heeft omdat hij altijd met zijn rug in de wind en de regen staat.

OPERATIEVE ZORG EN TECHNIEKEN
Module: Bouw en inrichting
Pol S. van der, Reekum, J. van,
B2015.5.0, oktober 2015

Uitgever: VERES Publishing
NUR-code: 876, NUR-omschrijving: Specialistische geneeskunde: algemeen

© 2015. J. van Reekum/VERES Publishing
Uit deze internet publicatie mag worden overgenomen of geciteerd met vermelding van bron en uitgever.

VERES Publishing, Van Spaenweg16, 6862 XK Oosterbeek

Voorwoord en verantwoording

De module bouw en inrichting is momenteel "under construction" en ondergaat veel verandering. De hoofdstukken over de verkoeverkamer, over elektrische veiligheid, over verlichting en over ventilatie zullen niet veel verandering ondergaan.

Doelstellingen voor deze module:
De student maakt kennis met het operatiekamercomplex en leert welke technische en hygiënische voorzieningen de veiligheid en de hygiëne op het operatiekamercomplex ondersteunen.
De student leert de motorische gedragingen en hygiënische disciplines die de veiligheid en hygiëne ondersteunen.

Inhoud

1 Bouw en indeling van een operatiekamercomplex
2 De operatiekamer
3 De verkoeverkamer
4 Technische voorzieningen op een operatiekamer
5 Hygiëne en de verspreiding van micro-organismen
6 Motorisch gedrag op een operatiekamercomplex
Bronnen

 1 Bouw en indeling van een operatiekamercomplex

Bladwijzers:
1.1 Geschiedenis
1.1.1 Plaats van het operatiekamercomplex, 1.1.2 Plattegrond
1.2 Materialen en constructie
1.3 Zonering en hygiënische gradering
1.4 Brandbeveiliging
Doelstellingen

 1.1 Geschiedenis

Een operatiekamercomplex binnen een ziekenhuisgebouw bevat die voorzieningen, die nodig zijn voor het functioneren van een operatieafdeling. De geschiedenis van het operatiekamercomplex is nog maar betrekkelijk kort. In de vroege geschiedenis van de gezondheidszorg waren operaties een publieke vermakelijkheid. Operaties vonden vaak plaats op markten en kermissen, waar een ieder kon kijken hoe 'eng' het wel niet was.
Met de komst van de ziekeninrichtingen, waar artsen hun geneeskundige handelingen gingen uitvoeren, werden operaties van vermaak nu ernst. Operaties werden uitgevoerd terwijl de patiënt op zijn ziekbed lag. De noodzaak van hygiëne moest nog ontdekt worden. Er zijn dan ook beschrijvingen van bedgordijnen rond bedden waar een ingreep plaatsvond waarin pus en etensresten waren te vinden.
Om artsen te kunnen opleiden maakte men vaak gebruik van amfitheaters, waarin de studenten naar beneden konden kijken om zo de chirurg aan het werk te kunnen zien. Operaties waren als het ware een schouwspel voor een select gezelschap. Overigens worden in het traditierijke Engeland de operatiekamers nog steeds 'theatres' genoemd. In de perifere ziekenhuizen werden voor een operatie bedschermen gebruikt om zo de privacy van de patiënt te garanderen. De operatie vond echter nog gewoon plaats op de ziekenkamer. In sommige ziekenhuizen werd hiervoor een behandelkamer op de afdeling ingericht. In de huidige vorm vinden we dat nog terug bij enkele academische ziekenhuizen, die voor elk specialisme (afdeling) een eigen operatiekamercomplex hebben.
Door de 'uitvinding' van de asepsis, werd de kans op sterfte na de operatie veel kleiner. Hiermee werd ook het operatierisico veel kleiner. De komst van de anesthesie maakte het opereren minder pijnlijk en patiënten kwamen nu veel sneller in aanmerking voor een operatie. Dit vroeg om meer voorzieningen dan een ziekenkamer kon bieden. Er werden speciale operatiekamers gebouwd. Soms werden deze zo ingericht, dat er meerdere patiënten tegelijkertijd konden worden geopereerd. Uit deze tijd stamt het woord 'operatiezaal'.
Voortgang van de microbiologie leidde rond 1950 tot de opvatting dat een operatiekamer niet aan de gang moet liggen waar patiënten, bezoek en verzorgend personeel doorheen lopen. Een operatiekamer moet liggen binnen een speciale afdeling, aanvankelijk de operatieafdeling, nu het operatiekamercomplex geheten.

 1.1.1 Plaats van het operatiekamercomplex

Aanvankelijk was zo'n afdeling gewoon een zijgang van de gangen in een ziekenhuis. De enige afscheiding bestond hierin, dat ander dan verplegend personeel en artsen hier niets hadden te zoeken. Later werd de gang met deuren van de rest van het gangenstelsel afgesloten.
Iemand met enig hygiënisch inzicht zal het ooit wel eens zijn opgevallen, dat de kelders in een ziekenhuis altijd vol met rommel en stof liggen. Dit leidde tot de gedachte dat een operatiekamercomplex zich nooit in een kelder mocht bevinden, omdat dit min of meer automatisch het eindstation was voor stof en vuil. Immers, het vuil viel naar beneden en dus was daar beneden geen plaats voor een operatiekamercomplex. Nee, een operatiekamercomplex zou zich juist boven in een gebouw moeten bevinden! Aan het eind van de jaren vijftig worden de operatiekamercomplexen dan ook boven in het ziekenhuisgebouw gepland.
Daar deze ziekenhuizen meestal een plat dak hadden, was hiermee meteen een nieuw probleem geïntroduceerd. In de zomer werd het op het operatiekamercomplex, onder het dak, verschrikkelijk heet en in de winter ijskoud. Verbeterde hygiënische inzichten, maar ook vooral de inzichten in luchtbehandeling en luchtstroming hebben geleid tot een andere plaats voor het operatiekamercomplex, lager in het gebouw. Stof bleek namelijk heel makkelijk door de lucht mee te voeren naar de bovenste verdieping. Dit komt door de eigenschap dat warme lucht opstijgt (convectiestroom). De zolder bleek net zo stoffig te worden als de kelder.
Zo zien we dat een operatiekamercomplex tegenwoordig vaak laag in het ziekenhuisgebouw is gelegen met er omheen de verpleegafdelingen die de vooral patiënten herbergen voor de behandeling op het operatiekamercomplex of die patiënten opvangen na de behandeling op het operatiekamercomplex. Voorbeelden van zulke afdelingen zijn: de chirurgische afdeling, intensive care afdeling en afdelingen voor dagbehandeling.

 1.1.2 Plattegrond

Figuur 1: Dubbel corridorsysteem.
Dubbel corridorsysteem.

Ook deze plattegrond heeft geschiedenis. Aanvankelijk was er gewoon een dwars gang die eventueel werd afgesloten door deuren. Aan deze gang lagen de operatiekamers. Men besefte dat de afdelingen waar patiënten werden verpleegd veel meer micro-organismen herbergden dan wenselijk was.
In de jaren zestig kwam het besef dat de patiënt zijn eigen infectie wel eens van de afdeling mee zou kunnen brengen. Er moest een strenge scheiding zijn tussen kliniek en operatiekamers. Dit resulteerde in de introductie van het sluizensysteem. Bovendien had het sluizensysteem ook te maken met luchtstroming.

Figuur 2: Enkel corridorsysteem met vuile gang.
Enkel corridorsysteem met vuile gang.
Patiënten zouden niet meer in hun eigen bed op de operatiekamer moeten komen maar in een 'overbed'. De patiënt moet dan in de sluis moeten overstappen op een soort brancard, die op de operatiekamer komt. Het bed met micro-organismen moet achterblijven in de sluis. Dit systeem wordt nu nog gehandhaafd. Alleen de brancard heeft wat verschillende uitvoeringen, zoals: verrijdbare operatietafels, Moby- lift™- systeem en apart los te vervoeren tafelbladen, die zo een brancard vormen. Dit systeem is arbeidsintensief.
Er zou zoiets moeten zijn als 'éénrichting verkeer'.
Figuur 3: 'Großraum OP' met 4 behandelplaatsen…
'Großraum OP' met 4 behandelplaatsen…
…in de Schullthess Klinik in Zürich voor het operatieprogramma.
Het dubbelcorridor systeem deed zijn intrede. Er was nu een 'vuile' en een 'schone' gang waartussen de operatiekamers waren gelegen. Patiënt en materiaal kwamen via de schone gang binnen en de geopereerde patiënt alsook het bebloede instrumentarium en het linnengoed ging via de vuile gang weer weg. De kans op een kruisinfectie van de volgende patiënt met micro-organismen van de vorige patiënt werd hierdoor verminderd. Het dubbelcorridor systeem neemt veel ruimte in en hoewel het veelbelovend was, wordt het nu weer verlaten. Het heeft nooit dat gebracht, wat men ervan verwachtte.
Wat er nu nog van over is, is de 'vuile' gang. Veel operatiekamercomplexen kennen een aparte gang voor het afvoeren van instrumentarium en linnengoed. Ook in moderne ontwerpen van operatiekamercomplexen komt deze 'vuile' gang nog voor.
Er treedt een hygiënische 'zonering' op van het operatiekamercomplex, waarbij de ruimten met wanden worden gescheiden en een indeling naar hygiëne ontstaat. Deze zonering komt weer terug bij de operatiekamer, maar is dan afhankelijk van het stromingspatroon van de ventilatie.
Figuur 4: De OK in bedrijf…
De OK in bedrijf…
De patiënt voor de heupoperatie op de achtergrond
kan langs het anesthesietoestel mee kijken
naar de knieoperatie op de voorgrond.
Door de verbetering van de luchtbeheersing en met name de beheersing van het stromingspatroon (zie volgend hoofdstuk), zijn er weer 'operatiezalen' ontstaan met meer dan een operatietafel. De handhaving van de hygiëne per operatieplaats is hier geheel afhankelijk van het stromingspatroon onder de 'kap'. Privacy van de patiënt kan hier een probleem worden net als stralingshygiëne bij het gebruik van Röntgenapparaten.
Op een operatiekamercomplex vinden we de volgende ruimten:
• Operatiekamers met hun voorbereidingen en ruimten om de handen te wassen
• Opslagruimten voor gesteriliseerde hulpmiddelen
• Kantoorruimten voor het management en de artsen
• Verkoeverkamer(s)
• Koffiekamer
• Kleedkamers
In alle gevallen horen er kleedkamers aanwezig te zijn waar het personeel zich kan omkleden. In deze kleedkamers hoort weer een éénrichtingsverkeer te zijn.
Soms is er een ruimte om patiënten, lang voordat zij geopereerd gaan worden, te ontvangen en anesthesie te geven.
Toiletten horen niet aanwezig te zijn op het operatiekamercomplex. Bij toiletgebruik hoort men zich weer om te kleden, alsof men het operatiekamercomplex heeft verlaten!
Aan de condities die in de genoemde ruimten horen te heersen wordt in de paragraaf 'zonering' aandacht besteed.
 
 
 
 
 
 
Figuur 5: 2 voorbeelden van een plattegrond voor de opzet van 8 operatiekamers.
2 voorbeelden van een plattegrond voor de opzet van 8 operatiekamers.

 

 1.2 Materialen en constructie

Figuur 6: Tegels als wand- en vloerbedekking.
6: Tegels als wand- en vloerbedekking.
Zoals in een 'oude slagerij'.

Wat er tot nu toe is behandeld, is de plattegrond van een operatiekamercomplex. Een operatiekamercomplex heeft ook muren en plafonds en vloeren. Hoe zouden die er dan moeten uit zien?
Een belangrijke eis is dat ze goed te reinigen moeten zijn. Het resultaat van deze visie is dan ook dat oude operatiekamercomplexen soms het meest lijken op een slagerij. Dit houdt in: tegels, liefst wit, op de vloer en aan de wanden en een glad plafond.
In modernere operatiekamercomplexen hebben de kunststoffen hun intrede gedaan en is er meestal een naadloos gelaste vinyl wand- en vloerbedekking. Het plafond bestaat meestal uit een ondoordringbaar 'systeem' van lichtmetalen platen. Aan de afwerking van de overgang van wand naar vloer en van wand naar wand worden eisen gesteld. De hoeken moeten afgerond zijn, zodat geen moeilijk bereikbare plekken ontstaan.
Waarom er voor tegels en later voor vinyl is gekozen? Tussen tegels zit een voeg van specie. Deze voeg is niet glad en neemt water op. Zodoende kunnen er zich vuil, vocht en micro-organismen ophopen.
Bedenk bij het manoeuvreren met een rijdende operatietafel dat deze een regelrechte aanslag op de vloer van een operatiekamercomplex is. Zo'n tafel heeft kleine, harde, meestal stalen wielen, die door het grote gewicht op een klein oppervlak een hoge druk per cm2 opleveren. Als een vloerbedekking van vinyl niet goed geplakt is of als de ondergrond niet stevig is, dan is het vinyl zo kapot. Er is weer een plek waar water blijft staan en micro-organismen welig kunnen tieren.

 1.3 Zonering en hygiënische gradering

Figuur 7: Hygiënische zonering en gradering over 5 graden voor patiënten.
Hygiënische zonering en gradering over 5 graden voor patiënten.

Om de patiënt te beschermen tegen infecties worden hygiënische zones ingesteld. Het begint al met de regel dat niet iedereen uit het ziekenhuis zomaar het operatiekamercomplex mag betreden.
De ruimte met de eerste hygiënische voorzorg noemen we de 'beschermde zone'.
• Voor deze zone geldt: apart uniform en haarbedekking dragen. In deze zone liggen: ontvangst, verkoeverkamer en omkleedruimte.
Iets strenger zijn de eisen in de 'schone zone'.
• Voor deze ruimte geldt: apart uniform en haarbedekking. In deze zone liggen: anesthesie voorbereidingruimte, wasruimte en gang.
Daar waar de operatie plaats vindt, is de 'steriele zone'.
• Voor deze zone gelden de regels van de vorige zones plus het dragen van een mondmasker. In deze zone liggen: de operatiekamer, de steriele opslag en de opdekruimte.
Na een operatie hebben we echter een hoop besmet materiaal. Dit hoort thuis in de 'afvoerzone'.
• Voor deze zone geldt: een apart uniform, wat niet hetzelfde mag zijn als het uniform op het operatiekamercomplex. Mond- of haarbedekking is niet nodig. Iemand uit deze zone mag nooit zonder zich om te kleden in één van de andere zones komen!
In deze zone vinden we: wc's, uitstortgootsteen (slokop) en de vuile gang.
In België gebruikt men een andere indeling. Hierbij gaat men uit van een zonering over 5 niveaus waarbij men in zone 3 en 4 een apart uniform met haarbedekking draagt en in zone 1 en 2 wordt dit met een mondmasker aangevuld. Deze zonering is tevens afhankelijk van de werkzaamheden die op dat moment worden verricht in die zone. De operatiekamer heeft als zones 1, 2 en 3, waarbij zone 1 de onmiddellijke omgeving van de wond vormt en in zone 3 bevindt zich de toegang tot de operatiekamer. Indien er geen patiënt of instrumentarium aanwezig is, dan valt de hele OK in zone 3. Pas bij het instellen van een steriel veld creëert men de zones 2 en 1.
De verkoeverkamer heeft een verbinding met de gang in het schone gebied en daarnaast een verbinding met de ruimte die een aansluiting vormt met de verpleegafdelingen. Onder meer uit het oogpunt van beheersing van luchtbewegingen, is het noodzakelijk dat ook de verkoeverkamer wordt gesluisd.
In het operatiekamercomplex zijn vijf graden van hygiëne te onderscheiden. Van hoog naar laag zijn dit achtereenvolgens:
1. de plaats van de chirurgische ingreep en directe omgeving (de operatiewond)
2. de operatietafel en directe omgeving
3. de operatiekamer en nevenruimten
4. de operatieafdeling
5. de rest van het ziekenhuis
De verkoeverkamer bevindt zich in graad 4. De patiënten die worden verkoeverd liggen vaak in hun eigen bed. Hiermee is de verkoeverkamer dan ook niet inpasbaar in de steriele of schone zone. Dit houdt ook in dat de mensen uit een verkoeverkamer niet zonder meer op een operatiekamer mogen komen. Hierdoor immers wordt de hygiënische zonering doorbroken.
Bij inrichtingen van verkoeverkamers waarbij de patiënten op een speciale brancard of iets dergelijks worden verkoeverd, is dit bezwaar minder groot maar dan moet die brancard wel voor een volgende patiënt worden gereinigd!
De verkoeverkamer heeft een verbinding met de gang in het schone gebied en daarnaast een verbinding met de ruimte die een aansluiting vormt met de verpleegafdelingen. Onder meer uit het oogpunt van beheersing van luchtbewegingen, is het noodzakelijk dat ook de verkoeverkamer wordt gesluisd.
Operatiekamers waren vroeger echte 'zalen'. Met de toevoeging van desinfectie door ventilatie was het zinvol de ruimte zo klein mogelijk te maken zodat het 'ventilatievoud' kon worden bereikt met een betrekkelijk kleine en goedkope installatie. De ruimtes werden nu vaak zo klein dat men wel sprak over 'OK-bezemkast' of 'de caravan'. Het vloeroppervlak van de ruimtes op een OKC is genormaliseerd. De volgende tabel geeft de minimale vloeroppervlakten weer.

Basiskwaliteitseisen ruimtebehoefte
omschrijving van de ruimte opmerkingen min. nuttige opp. in m2
operatiekamer algemeen 36
operatiekamer specifiek (orthopedie, cardiochirurgie, neurochirurgie) 42
patiëntensluis c.q. holding (indien aanwezig) 20
inleidingsruimte (indien aanwezig) 15
Voor de deurbreedte en de breedte van een gang zijn inmiddels ook eisen geformuleerd, zij worden weergegeven in de volgende tabel:
Basiskwaliteitseisen toegankelijkheid
omschrijving van de ruimte opmerkingen Afmeting in m
vrije breedte verkeersruimten
zoals gangen
(tussen de leuningen) 2,30
idem, daar waar bedden moeten kunnen draaien 2,40
vrije doorgangsbreedte bedtoegankelijke ruimten (operatiekamers, voorbereidingsruimten e.d) 1,10

 1.4 Brandbeveiliging

In een ziekenhuis is in alle ruimten een beveiliging tegen brand noodzakelijk, omdat de mobiliteit van patiënten niet optimaal is. Dit geldt speciaal voor de patiënten op het operatiekamercomplex. Als daar een brand niet tijdig ontdekt wordt, zal dat verstrekkende gevolgen hebben voor de patiënten.
Nog niet zo lang geleden werd nog genoegen genomen met handbrandmelders waarmee alarm geslagen kon worden. De huidige brandmelders zijn van een intelligent systeem voorzien. Dit systeem noemt men een algoritme, waardoor geen beïnvloeding door elektromagnetische storingen of corrosie meer mogelijk is. De onbetrouwbaarheid -het grote aantal valse alarmeringen in het verleden- is hierdoor afgenomen.
Een goede brandbeveiliging bestaat uit:
• Een brandmeldsysteem, kwaliteitsnorm; NEN 2535 en NEN 2654 voor aanleg en onderhoud.
• Een ontruimingsplan dat in de praktijk gecheckt en technisch uitvoerbaar is.
• Vluchtroutes duidelijk zijn aangegeven.
• Voldoende blusmiddelen op de werkplek aanwezig zijn.

 Doelstellingen

De student kan de bouwkundige voorzieningen benoemen die een hygiënische omgeving op een operatiekamercomplex (OKC) bewerkstelligen.
De student kan de voorwaarden benoemen waaraan de vorm van een OKC moet voldoen in verband met de hygiënische regels.
De student kan de materialen benoemen die wel en niet in aanmerking komen voor verwerking bij de bouw van een OKC.
De student kan de verschillende zones op een OKC benoemen en weergeven welke kleding en maskerdiscipline daarbij horen.
De student kan verwoorden welke vormen van reiniging op een OKC en in een operatiekamer de voorkeur hebben.
De student kan ook weergeven waarom deze vormen van reiniging de voorkeur hebben.
De student kan preventieve veiligheidscriteria ter voorkoming van brand benoemen.

terug naar het begin van dit hoofdstuk
terug naar de inhoudsopgave

 2 De operatiekamer

Bladwijzers:
2.1 Materialen en constructie
2.2 Inrichting operatiekamer
2.2.1 Operatietafel, 2.2.2 Zuilen voor gassen en elektriciteit,
2.2.3 Anesthesietoestel met ecg monitor en computer voor administratie en anesthesieverslag en de anesthesie medicijnen trolley,
2.2.4 Trolley voor verbandmiddelen en reserve instrumenten en hechtingen ‘kabinet’.,

Doelstellingen

De operatiekamer evolueerde van een behandelkamer op de afdeling naar een ruimte waar technische voorzieningen voorhanden moeten zijn om de ingrepen van tegenwoordig te kunnen verrichten.
De belangrijkste eigenschappen van een operatiekamer zijn:
* Makkelijk schoon te maken en te houden.
Het is helaas niet mogelijk een hele operatiekamer af te spoelen en dan te steriliseren. Er moet dus iets anders op worden gevonden.
Wat moet er schoongemaakt kunnen worden?
• Vloeren, wanden en het plafond.
• OK meubilair.
• De lucht in deze ruimte.
Omdat gebleken is dat met name door stofdeeltjes veel micro-organismen verspreid worden, moet stof zoveel mogelijk verwijderd worden.
Verder is het gewenst dat alle micro-organismen worden verwijderd of gedood. Dit is echter onmogelijk. Er zijn geen stoffen die dit goed kunnen en tevens veilig zijn. De stoffen die dit wel goed kunnen, maken de ruimte helaas tot een plek waar niet gewerkt kan worden. Een stof die slecht is voor micro-organismen, is tenslotte ook slecht voor mensen.
Het is gebleken dat schoonmaken met een gewone zeepoplossing voldoende effectief is om het aantal micro-organismen tot acceptabele grenzen terug te brengen.

 2.1 Materialen en constructie

Hoe kunnen we er voor zorgen dat alles goed kan worden schoongemaakt?
1) Het materiaal moet waterbestendig zijn.
Water bindt veel stof en kan er zo voor zorgen dat stof wordt verwijderd uit de operatiekamer.
2) Het materiaal moet glad zijn.
Alle voorwerpen moeten zijn gemaakt van materiaal dat geen poriën of een zuigende werking heeft. Dit betekent:
• Geen hout.
• Geen geweven of gebreide stoffen.
• Geen cementen of beraapte oppervlakken.
Goed zijn:
• Gladde metalen of kunststoffen oppervlakten of apparaten die hiermee waterdicht bedekt zijn.
In de praktijk beperkt men zich tot gladde, naadloos gelaste vinyl vloer- en wandbedekking en roestvrijstalen panelen.
3) Alles moet goed bereikbaar zijn. Dit houdt in: geen scherpe hoeken, geen naden.
Voor de overgang van vloer naar wand hanteert men de zogenaamde 'hygiënische plint'. Dit is een ronde plint met een straal van 12,5cm. Deze is makkelijk schoon te maken en heeft geen scherpe hoeken waarin vuil achter kan blijven.
4) Alles wat op een operatiekamer aanwezig, is moet bij voorkeur afgeronde hoeken hebben.
De ideale vorm voor een operatiekamer zou een halve bol zijn.

Figuur 8: Doorsnede van een operatiekamer.
Doorsnede van een operatiekamer.
Een totaal ronde operatiekamer is wat moeilijk te realiseren. Er worden wel 6- of 8-hoekige vormen gebruikt, waarvan de hoeken afgerond zijn; het plafond is niet met een rechte hoek aan de wanden verbonden maar met schuinstaande panelen, zodat ook hier geen echte rechte hoeken zijn te vinden. De verbinding tussen de panelen moet dan een straal hebben van 12,5cm.

 2.2 Inrichting operatiekamer

Zoals het operatiekamercomplex is ingedeeld in schone en vuile ruimten, kennen we in een operatiekamer ook 'schone' en 'vuile' gedeelten. Wanneer men zich een doorsnede van een operatiekamer voorstelt, is het dan niet logisch dat het gebied waar de operatiewond is, het 'schoonst' zou zijn? We willen dit ook zo houden. Als er door de omloop niet 'steriele werkzaamheden' uitgevoerd worden (administratie, gazen tellen), dan dienen deze op enige afstand van de operatietafel uitgevoerd te worden.
Voor anesthesiepersoneel is dit niet goed mogelijk. Hij of zij moet bij de patiënt kunnen die wordt geopereerd. In dit geval gebruikt men een scherm om zo de minder 'schone' bezigheden van de anesthesie af te schermen van het operatieveld. Vroeger heette zo'n scherm 'aether scherm'. Dit diende dan ook een heel ander doel. Het was de bedoeling dat de patiënt sliep en niet het chirurgische team. Het scherm verhinderde dat hoge concentraties ether het chirurgische team zouden bedwelmen.
Van boven naar beneden is er ook sprake van een zonering. Alle stof valt uiteindelijk naar beneden. De vloer is dan ook als de 'vuilste' zone op een operatiekamer te beschouwen.
Alles wat op de vloer heeft gelegen, kent dan ook maar één weg: in de vuilniszak. Is er iets gevallen dat verpakt is, dan moet de verpakking worden verwijderd en het materiaal opnieuw ingepakt worden en ter sterilisatie worden aangeboden.
Als er iets van de vloer moet worden opgepakt, gebruik dan een vuilpaktang of handschoenen. Kan het niet anders dan met de handen, WAS ZE DAN DAARNA!
Ventilatiesystemen op operatiekamers houden rekening met deze zonering. Zij blazen de schone lucht dan ook van bovenin en zuigen de lucht dicht bij de vloer weer af.

 2.2.1 Operatietafel

Een van de meest kenmerkende onderdelen van de inrichting van een operatiekamer is de operatietafel. Ontwikkelingen op het gebied van de operatietafel zijn zeer snel gegaan en het is inmiddels een complex toestel geworden. De module 'Positioneren' geeft de vele mogelijkheden maar ook de gevaren van de operatietafel weer.

 2.2.2 Zuilen voor gassen en elektriciteit

Figuur 9: Pendel voor gassen en elektriciteit.
Pendel voor gassen en elektriciteit.
De gassen zitten aan de andere kant.

Elektrische leidingen en slangen over de vloer is onhygienisch. Zij bevinden zich in het meest vervuilde deel van de operatiekamer. Daarbij komt nog dat ze het gevaar voor struikelen tijdens het werk opleveren en een werknemer in een patiënt kunnen veranderen.
Door de aansluitpunten van gassen en elektriciteit hoog te monteren, lopen er minder slangen en leidingen over de vloer en wordt bereikt dat de aansluitpunten dichter bij de gebruikende toestellen zitten. De pendels zijn niet vast, maar kunnen in drie dimensies worden verplaatst. De scharnieren en draaipunten moeten wel met regelmaat en terzake kundig worden onderhouden, anders ontstaan er lekken. Een modificatie door de eigen technische dienst is de uiteindelijke oorzaak geweest van de brand op de operatiekamer in Almelo.
Op de pendel zelf mogen gassen en elektrische aansluitingen niet naast elkaar zitten. Er moet tenminste 10cm afstand zitten tussen een contactdoos en een gasaftap punt. De motivatie hiervoor is dat bij een kleine lek van het gas, een vonk van een uit de contactdoos getrokken stekker niet het gas kan ontsteken.
Een pendel hoort een sticker te hebben met de laatste service datum erop en een aanduiding wanneer de volgende service moet worden verricht. De controles hierop zijn een taak van het personeel dat van de pendel gebruikt maakt. De controles moeten worden opgenomen in de 'dagelijkse' checklist.

 2.2.3 Anesthesietoestel met ecg monitor en computer voor administratie en anesthesieverslag en de anesthesie medicijnen trolley

De anesthesie werkplek is een hoogstandje van techniek en in de modules 'Respiratie' en 'Monitoring' worden de anesthesie ventilator en de ecg monitor behandeld.

 2.2.4 Trolley voor verbandmiddelen en reserve instrumenten en hechtingen ‘kabinet’.


 2.2.5 Plaats met computer voor administratie.



 Elektrochirurgie toestel.


 Doelstellingen

De student kan de bouwkundige voorzieningen benoemen die een hygiënische omgeving op een operatiekamer (OK) bewerkstelligen.
De student kan de hygiënische regels formuleren.
De student kan de voorwaarden benoemen waaraan de inventaris en vorm van een OK moet voldoen in verband met de hygiënische regels.
De student kan de materialen benoemen welke wel en niet in aanmerking komen voor verwerking in de inventaris van een operatiekamer.
De student kan preventieve veiligheidscriteria ter voorkoming van brand benoemen.
De student kan de ideale klimatologische omstandigheden weergeven.
De student kan preventieve maatregelen benoemen ter voorkoming en bestrijding van luchtverontreiniging.

terug naar het begin van dit hoofdstuk
terug naar de inhoudsopgave

 3 De verkoeverkamer

Bladwijzers:
3.1 Bouw en inrichting
3.1.1 Additionele voorzieningen
3.1.2 Voorwaarden voor patiënten bewaking
3.1.3 Ziekenhuis stressfactoren en patiëntencomfort
3.1.4 Voorzieningen m.b.t. de werkplek
3.1.5 Gas aftappunten en contactdozen
3.1.6 Materieel
3.1.7 De bewakingspost
3.1.7.1 (Centraal)-bewaking, registratie en communicatie, 3.1.7.2 Het zitmeubilair, 3.1.7.3 Medicijnkast achter de bewakingspost
3.1.8 Berging van verpleegkundige en steriele medische hulpmiddelen
3.1.9 De mobiele werkplek
Doelstellingen

 3.1 Bouw en inrichting

Figuur 9: Bouwsteen verkoeverruimte.
Bouwsteen verkoeverruimte.
maatstaven operatieafdeling C v Z / 4951-94

De inrichting van een verkoeverkamer moet duidelijk ruimer van opzet zijn dan een normale patiëntenkamer. De opstelruimte van een verkoeverbed moet groot genoeg zijn om in noodsituaties te kunnen ingrijpen, zodat we rond de patiënt kunnen werken. De werkzone; de ruimte van het bed tot de zijmuur moet 2,00m zijn. Tussen de bedden moet 1,50m ruimte zijn en het hoofdeinde moet 75cm van de muur af staan om toestellen en personen toe te laten aan het hoofdeinde.
Meestal wordt als richtlijn 15m2 per verkoeverbed gebruikt. Deze oppervlakte is exclusief de oppervlakte voor de technische voorzieningen en de oppervlakte voor de verkeersruimten en constructies. (zie schema 'Nuttig vloeroppervlak verkoeverkamer'). Daarnaast heeft ieder gezond mens 16m2 nodig om zijn persoon terug te brengen tot zichzelf, eenvoudig gezegd voldoende leefruimte. Belangrijk ook, is het vaststellen van de identiteit van de ruimte. Wat gaan we er precies doen en wat zijn de eventuele ontwikkelingen voor de toekomst. De richtlijn voor het aantal verkoeverbedden van 1,5 x het aantal operatiekamers (in 1995 vastgesteld op 850 verrichtingen per OK per jaar) is door het gestegen aantal verrichtingen ontoereikend. Het aantal bedden waarover een verkoeverkamer moet kunnen beschikken is afhankelijk van de gemiddelde verkoevertijd, van de gemiddelde operatietijd en van het grootste aantal operaties dat dagelijks kan plaatsvinden. De formule voor deze berekening is weergegeven als een managementtool. De richtlijnen, normen en voorschriften worden gemaakt door instanties als het College voor Ziekenhuisvoorzieningen en de Nederlandse norm.

Tabel 1: Nuttig vloeroppervlak verkoeverkamer
Omschrijving Maatstaf 6 bedden 9 bedden 12 bedden Opmerkingen
Verkoeverkamer 15m2 per verkoeverbed 90m2 135m2 180m2  
Centrale post 8m2 8m2 8m2 10m2  
Spoelruimte 8m2 8m2 8m2 10m2  
Berging schoon 8m2 8m2 8m2 12m2 Opslag steriele medische hulpmiddelen
Berging verpleegkundig 8m2 8m2 8m2 10m2  
Sluis   n.v.t. n.v.t. 12m2  
Subtotaal nuttig oppervlak verkoeverkamer   122m2 167m2 234m2 Nuttig oppervlak in m2
(NEN 2630, art 33 sub a)

 3.1.1 Additionele voorzieningen

Wordt een verkoeverkamer ook gebruikt voor de dagbehandeling, kinderen (met ouders), dan vraagt dit ook weer aanpassingen voor de opvang van ouders en patiëntjes na de operatie.

Tabel 2: ‘Aanvullende voorzieningen’.
Pantry, recreatieruimte 8m2  
Holding/behandelruimte,
3 bedden
45m2
(15m2 per bedplaats)
Voor het plaatsen van blokkades en neurolysis
Voor preoperatieve voorbereiding van patiënten
Laboratorium 6m2 Voor directe bepaling Bloedgassen Hb, Ht en elektrolyten.
Kinderverkoever (3 bedden) 30m2 * Voor opvang van ouders en patiëntjes op de verkoever.
Isolatie-box 15m2 Voor septische ingrepen.
• Een pantry/recreatieruimte om de vraag te beantwoorden: “waar eet ik mijn boterham op”.
• Een holding, voor behandeling van poliklinische patiënten en het preoperatief screenen en voorbereiden van operatiepatiënten.
• De Gezondheidsraad adviseert faciliteiten om ouders in staat te stellen hun kind te begeleiden wanneer het uit de narcose ontwaakt.
Op een verkoeverkamer zijn opslagruimten nodig voor verpleegkundige artikelen, steriele medische hulpmiddelen en medicijnen. De materialen waarvan inrichting en meubilair worden gemaakt, moeten aan dezelfde eisen voldoen als die van de inrichting van een operatiekamer. Alle inhoud mag niet meer zijn dan het strikt noodzakelijke en moet goed te reinigen zijn.

 3.1.2 Voorwaarden voor patiënten bewaking

Voor de bewaking is het nodig dat het verkoeverpersoneel een goed zicht en goed licht heeft op de te bewaken patiënten. In de verkoeverkamer moet een nominale verlichtingssterkte aanwezig zijn van 500 lx met neutraal witte lichtkleur en zeer goede kleurweergave. De huidkleur van de patiënt moet op een zo natuurlijk mogelijke wijze weergeven worden. Tijdens de verkoeverfase moet de verlichtingssterkte gereduceerd kunnen worden tot 100lx zodat de patiënt niet wordt verblind. Het ontwerpen van de verlichting voor de verkoeverkamer kan met behulp van technische gegevenstabellen plaats vinden.
Omdat anesthesisten en operateurs bij complicaties snel ter plaatse moeten kunnen zijn, is het noodzakelijk dat de verkoeverkamer zo dicht mogelijk bij, en bij voorkeur in, het operatiekamercomplex is gesitueerd. Ook indien een postoperatieve complicatie een re-interventie noodzakelijk maakt, is een minimale afstand tussen een verkoeverkamer en een operatiekamer een groot voordeel.

 3.1.3 Ziekenhuis stressfactoren en patiëntencomfort

Het ontbreken van iets herkenbaars voor de patiënt draagt bij aan de stressfactoren voor een patiënt. Stressfactoren die een rol spelen in de belevingswereld van de patiënt zijn: te kleine of te grote ruimte, onaangename kleuren, misaanpassing op het dag - nacht ritme, onaangename materialen en vormen. Dergelijke stressfactoren prikkelen het bewustzijn en hebben fysieke en mentale gevolgen.
Een uiting van een slechte inrichting van de patiëntenomgeving is een verminderd zelfvertrouwen. Contact met natuurverschijnselen, bv. daglicht (geen direct zonlicht), beïnvloedt het herstelproces van de patiënt in positieve zin. Lichte kleuren werken ruimtelijk en door geel als basiskleur voor een verkoeverkamer te nemen, geeft men de patiënt de mogelijkheid zich in het 'mentale midden' tussen actief en passief op te stellen. Op deze manier kan men door activerende rode tinten of juist rustgevende blauwe tinten de verkoeverkamer die nuances geven die in het relatieschema patiënt-kleur passen.
Apparatuur mag niet visueel overheersend zijn en dient daarom buiten het eerste blikveld van de patiënt geplaatst te worden. Monitoren en auditieve alarmen dienen te worden gecentraliseerd op de bewakingsdesk. Bij gebruik van een speciale ruimte (bv. kinderverkoever) kan direct worden ingespeeld op afleiding voor met name kinderen door de aanwezigheid van ouders.
Afleiding speelt ook een rol bij dagbehandeling van volwassenen of bij klinische patiënten na een anesthesie met kortwerkende anesthetica of bij klinische patiënten na een loco regionale techniek, die alleen voor de nawerking van het blok nog extra bewakingsaspecten vereisen. Door zachte muziek, video of een brainlight mental system, ontstaat afleiding en een ontspannen sfeer. Optische en akoestische signalen stimuleren op harmonische wijze lichaam en geest en hierdoor wordt het vegetatieve zenuwstelsel positief beïnvloed.

 3.1.4 Voorzieningen m.b.t. de werkplek

Figuur 10: Zijaanzicht verpleegkundige naast de voorzieningengondel.

De verpleegkundige (175cm) links bedient de hoog gepositioneerde handbeademingset en rechts reikt zij naar de laagste gepositioneerde voorziening, de zuigopvangpotten.

Door een slechte inrichting van de werkplek, zit en werkmeubilair, komen veelvuldig klachten voor van het houding en bewegingsapparaat. In de 'Menselijke maat Architectdata' van Neufert, kan men de minimale noodzakelijke ruimten, die nodig zijn voor de functie van elke ruimte, terug vinden. Bij het ontwerpen dient al zoveel mogelijk rekening gehouden te worden met de lichamelijke grenzen en menselijke gedragsgewoonten.

Tabel 3: Verschil in afmetingen van de doelgroep (160-190 cm).
Lichaamslengte in cm Reikhoogte beide armen in cm
160cm 187cm
170cm 198cm
175cm 204cm
180cm 210cm
190cm 222cm
Wanneer 'daglicht' als voorwaarde voor de inrichting van de werkplek is opgenomen, staat de keuze voor de medische voorzieningengoot reeds vast. Alleen op welke hoogte wordt deze medische voorzieningengoot dan geplaatst?" Aan de hand van de daarvoor bestemde antropometrische tabellen wordt een lichaamslengte van 160 t/m 190cm voor het personeel op de verkoever vastgesteld. Alle mensen binnen deze grenzen moeten op een goede manier, met verantwoorde lichaamshoudingen gebruik kunnen maken van de werkplek en alle voorzieningen.
Naast de vaststelling van de maten van de doelgroep zal bij het ontwerpen van de omgeving rond het bed aan aantal ergonomische basisprincipes als richtlijn gebruikt moeten worden. De hoogte van de medische voorzieningengoot wordt vastgesteld op 190cm.
Figuur 11: Ergonomie van de bedplaats.
11: Ergonomie van de bedplaats.
Monitor (Spacelabs Medical) à vue en toedieningsystemen binnen handbereik met bewegingen recht naar voren en naar opzij.
De verkoeverbedplaats, ergonomische ontwerpprincipes
Voor de omgeving van een verkoeverbed kunnen er een aantal richtlijnen worden opgesteld voor bewegingen waar rekening mee moet worden gehouden bij het ontwerp van de werkplek. Hiervoor kunnen we de volgende aandachtspunten gebruiken.
• Zorg bij de inrichting voor een goede uitgangshouding van het lichaam.
• Breng bedieningselementen zoveel mogelijk in het gezichtsveld aan.
• Zorg voor een overzicht van de voorwerpen en hun achtergrond door logische plaatsing, vormcodering (een draaiknop ziet er anders uit dan een drukknop) en dergelijke. Welke parameters van bewegen zijn het belangrijkste; reiken, kracht uitoefenen, snel manipuleren of sturen.
• Beperk de afstanden voor reiken (op de tenen staan om iets te pakken of op te hangen); geef de voorkeur aan bewegingen met een horizontaal en lateraal gericht doel; recht naar voren en naar opzij.
Het reiken naar een voorwerp is, ergonomisch gezien, niet ideaal. Toch zijn er voor de reikhoogte richtlijnen ontwikkeld. Voor het bepalen van de maximale reikhoogte is een verband aangegeven tussen lichaamslengte en reikhoogte. Als vuistregel kan hiervoor meestal de volgende berekening worden aangehouden:
Maximale reikhoogte = 1,17 x lichaamslengte.
De grijphoogte is lager dan de reikhoogte, omdat bij het grijpen van de hele hand een functie heeft en niet alleen de vingertoppen zoals bij het rekken naar iets.
De horizontale grijpafstand word bepaald door de afstand tussen: schouder en grijphand/elleboog en grijphand.
Hierdoor ontstaan 2 cirkelvormige grijpafstanden met draaipunten in de schouder (550 tot 560mm) en elleboog (350 tot 450mm).
• Simuleer de bewegingen met een model (proefopstelling van karton), zodat de bevindingen kunnen worden toegepast in het definitieve ontwerp.

 3.1.5 Gas aftappunten en contactdozen

Figuur 12: Trilux IS 500, waarbij de Parkodex gasaansluitpunten
aan de achterzijde worden ingebracht.
Trilux IS 500, waarbij de Parkodex gasaansluitpunten aan de achterzijde worden ingebracht.
De afstand tot de zuigopvangpotten en katheterhouder is 75cm.
De bediening van hoog en laag vacuüm op 135cm.
Zuurstoftoediening en geassisteerde beademing op 150cm.
Voldoende werkruimte om de IS 500 bedieningszuil gebruiksklaar
te maken.

Deze mogen nooit achter het hoofdeinde van het bed zijn gemonteerd, omdat ze dan slecht bereikbaar zijn. De onderlinge afstand tussen een gas aftappunt en wandcontactdoos moet minimaal 20cm zijn en de afstand van de grond tot de laagste contactdoos dient minimaal 75cm te zijn. Per bedplaats zijn de volgende aansluitpunten noodzakelijk: zuurstof, vacuüm, perslucht en wandcontactdozen met randaarde. De plaats van gasaansluitpunten en elektriciteit dient in gescheiden componenten te worden geïnstalleerd. Zeker in noodsituaties levert een logisch en voorspelbare inrichting van aansluitpunten zijn vruchten af.

 3.1.6 Materieel

Voor elke bedplaats moet er de beschikking zijn over:
• bloeddruk- meetapparatuur,
• ECG monitor met een mogelijkheid tot het centraal schrijven van het ECG,
• pulsoxymeter,
Voor elke bedplaats moet ter therapie aanwezig zijn:
• zuurstof en (hand)beademingsapparatuur,
• gereedstaande afzuigapparatuur.
Om de vacuümregelaar en het centrale vacuüm leidingsysteem tegen besmetting te beschermen dient in de slangverbinding tussen vacuümregelaar en de opvangflacon een bacteriefilter geplaatst te worden. Bij de keuze van het bacteriefilter dient een type gekozen te worden welke;
-een minimale drukval veroorzaakt en
-niet blokkeert indien vochtige lucht wordt aangezogen.
• Gasevacuatiesysteem*)

*) Bij een ventilatievoud lager dan 10 (het aantal malen per uur dat de gehele luchtinhoud van een ruimte wordt ververst) en als de MAC waarden boven het actieniveau worden gemeten, dient er per bedplaats een gasevacuatiesysteem aanwezig zijn voor het afvoeren van uitgeademde anesthesiegassen.

Niet per bedplaats, maar wel voor de gehele verkoeverkamer:
• beademingsapparatuur
• defibrillator,
• Infuusverwarmers,
• infusiedrukzakken,
• verwarmingsmatrassen en/of een warmkast voor dekens,
• invasieve hemodynamische bewaking,
• volledig uitgeruste crash kar.

Figuur 13: Een ergonomisch ingerichte verkoeverkamer.
Een ergonomisch ingerichte verkoeverkamer.
Wel daglicht, maar niet direct in het gezicht van de patiënt. Ventilatie afzuiging achter/onder het bed, geen apparaten of toestellen achter het bed, maar ernaast (Trilux Medische Verzorgingseenheid IS 500).Voldoende werkruimte om het bed, tevens privacy ruimte voor de patiënt.
 

 3.1.7 De bewakingspost

De bewakingspost is het visitekaartje van de verkoeverkamer. De architectonische en lichttechnische vormgeving hiervan moet vertrouwen wekken en de acceptatie van de patiënt verhogen. Op de voorgrond staat een aangename ruimte om in te ontwaken, waaraan de kleurstelling en de verlichtingsvorm een wezenlijke bijdrage kunnen leveren. De kleurstelling van de bewakingspost moet voor de patiënt en personeel aangenaam zijn. De bewakingspost is ook een werkplek en kent zijn eigen ergonomie. De inrichting moet uitnodigen tot een comfortabele werkplek.
Een modulair systeem dat op eenvoudige wijze kan worden samengesteld, verdient hierbij de voorkeur, waarbij gelet dient te worden op:
• De samenstelling en functie van de modules.
• De aanwezigheid van kabelgoten.
• Voldoende koeling en ventilatie voor de apparatuur.
• Het werkblad is ergonomische berekend en geconstrueerd voor de functies en taken van het verpleegkundig personeel.
• De centrale post uitgevoerd is met ronde hoeken, dit voorkomt stoten en is makkelijk te reinigen.
• Welke verlichting en intensiteit zijn gewenst.
• Hoe wordt verblinding en schittering voorkomen en is de zonwering te bedienen vanuit de bewakingspost?
• Geluiden (alarmeringen en gesprekken die de patiënt niet betreffen) vanuit de centrale post mogen de patiënt niet storen (akoestiek).
Een computeranimatie of een kleinschalig model van de bewakingspost, helpen mee aan een goede inrichting, omdat bewegingen kunnen worden gesimuleerd.

Figuur 14: De bewakingspost, Euro Moduul Nederland, Spacelabs Medical centraal bewaking.
De bewakingspost, Euro Moduul Nederland, Spacelabs Medical centraal bewaking.
Gebruiksvriendelijk met een optimale ruimtebenutting. Imago en esthetiek komen hier tot zijn recht. Rekening gehouden met ontwikkelingen en veranderingen in de toekomst.
 

 3.1.7.1 (Centraal)-bewaking, registratie en communicatie

Figuur 15: Patiënten centraal bewaking Spacelabs Medical.
Patiënten centraal bewaking Spacelabs Medical.
Voor de plaatsing van een beeldscherm, de hoek en de afstand tot het beeldscherm bepalen.(50-70cm)
en kijk voor de muis of het keyboard naar de reikdiepte.
De gemiddelde reikdiepte ligt op ca 60-75cm vanuit het draaipunt.

Uit hygiënische en logistieke overwegingen wordt voor de bediening van centraal bewaking gekozen voor de muis of de touchscreen bediening. Voor de beeldscherm inrichting is het van belang dat de hoogste prioriteit gegeven wordt aan de vitale functies van de patiënt;
1. de fysische parameters op het scherm; (ECG, saO2, (N)IBP, CVP en Temperatuur).
2. de vaste toetsen van de monitor aan de rechterzijde van het scherm,
3. en de menu-toetsen aan de onderzijde van het scherm.
Al deze parameters dienen beschikbaar te zijn;
• aan de bedside monitor,
• op de bewakingsdesk,
• aan de bedside monitor van een andere patiënt
• en vanuit de OK/anesthesie netwerkkoppeling.
Voor de geïntegreerde automatisering en verwerking van informatie van Anesthesie, OK, Verkoeverkamer en CSA, zijn diverse informatie management systemen beschikbaar. Bij een koppeling aan een netwerk met de overige afdelingen in het ziekenhuis zoals; het laboratorium, de apotheek, logistiek, IC/CC en het ZIS, wordt dit ook wel de ziekenhuis informatie honingraat genoemd.

 3.1.7.2 Het zitmeubilair

Figuur 16: Stoel.
Stoel.
De normen NEN 1812 en NEN 2449 voor zitmeubilair zijn
gebaseerd op antropometrische gegevens
(lichaamslengte van 1,60 tot 1,90m). Euromoduul Nederland

In het kader van de Arbo-wet heeft iedereen, die meer dan 2 uur per dag aan een computer werkt recht op een bureaustoel, die voldoet aan de NEN 1812 norm. Sinds januari 1995 moet iedere bureaustoel aan deze eis voldoen. Daarnaast is ook het zitcomfort van groot belang. Er moet bij de aanschaf rekening gehouden worden met de volgende aandachtspunten:
• Voldoende hoogte voor observatie van de patiënten.
• Verrijdbaar zijn in verband met de bediening van de toestellen in de bewakingspost. Rubberwielen (antistatisch) voor harde vloeren.
• Verstelbare armleuningen, zodat werkzaamheden achter een computer geen belemmering vormen.
• Geprononceerde lendensteun, waardoor een verantwoorde stand van de rugwervel gewaarborgd is.
• Permanent rugcontact, vergrendelbaar in iedere stand.
• Kantelmechanisme van zitting en rug in een vaste zithoek op lichaamsgewicht instelbaar.
• Onafhankelijk van elkaar instelbare zit/rughoek.
• Voorgevormde zitting, waardoor het bekken in positieve zithoek kantelt.
• De zithoogte van de stoel moet instelbaar zijn tussen de 41 en 53cm. Ga voor de stoel staan en breng de bovenkant van de zitting op gelijke hoogte met de onderkant van de knieschijf.
• De rugleuning moet instelbaar zijn tussen de 62-82cm.
• Uit hygiënische overwegingen dienen de rugleuning en het zitvlak voldoende te ventileren.
• TNO-getest volgens NEN 1812 goedgekeurd.

 3.1.7.3 Medicijnkast achter de bewakingspost

Op een verkoeverkamer zijn opslagruimten nodig voor medicijnen. Dit kunnen heel andere medicijnen zijn dan die op de operatiekamer worden toegediend. Het postoperatieve medicijnbeleid begint hier. Vanwege de hygiëne en ergonomische aspecten dient de opstelling van de medicijnwandkast min 30cm van de vloer te zijn.
• Breng een differentiatie aan in de opslag van medicamenten voor 'continue' gebruik en overige medicamenten en infuusvloeistoffen.
• Zorg voor de bereikbaarheid van de medicijnkast aan het werkblad om medicijnen en infuuspompen klaar te maken. De indeling van de medicamenten is op ooghoogte leesbaar en bereikbaar.
• Voor de morfinomimetica is een afsluitbare lade ingericht.
• Er is een medicijnkoelkast voor suppositoria, medicamenten en bloedproducten.
• Zorg voor voldoende ruimte voor documentatie en naslagwerk (Protocollenboek, farmacotherapeutisch kompas, etc)
• Zorg voor voldoende licht op de werkplek.
Bij het ontwerp is rekening gehouden met een werkplek voor de behandelend specialist(en) voor o.a. de patiëntenoverdracht (links), en de werkplek ter voorbereiding van injecties en infuusvloeistoffen (rechts). Voor infusievloeistoffen en systemen is een rolkast ingericht met manden van 18cm hoog voor infuusvloeistoffen en 10cm hoog voor infuussystemen en toebehoren.
De materialen waarvan inrichting en meubilair worden gemaakt, moeten aan dezelfde eisen voldoen als die van de inrichting van een operatiekamer. Alle inhoud mag niet meer dan zijn dan het strikt noodzakelijke en moet goed te reinigen zijn.

 3.1.8 Berging van verpleegkundige en steriele medische hulpmiddelen

Op een verkoeverkamer zijn opslagruimten nodig voor verpleegkundige artikelen, steriele medische hulpmiddelen en medicijnen. De wetgever stelt dat steriele en niet steriele medische hulpmiddelen gescheiden worden opgeslagen. (Richtlijnen steriliseren en steriliteit, november 1993). De opbergsystemen met draadmanden en kunststofbakken (acryl) worden geleverd volgens ISO norm. Met verdeelschotjes in de breedte kunnen de manden naar behoefte ingedeeld worden. Door een speciale coating zijn de manden autoclaaf- en wasautomaatbestendig. Om de universele uitwisselbaarheid van kastruimten te vergroten verdient het aanbeveling om één kastbreedte te hanteren (60cm).
Logistiek is het efficiënt om themakasten in te richten; bv.
• De kast voor de vrije ademweg,
• De kast voor wondverzorging/drainage,
• De kast voor urologie,
• De kast voor intraveneuze toediening.
• De kast voor plexus en regionale anesthesie.
Geleidingsrail is ergonomisch in het gebruik en efficiënter dan geleidingsprofiel, een nadeel is wellicht de hygiëne om de geleidingsrail schoon te maken. Voor de inrichting van de kasten kunnen we de volgende aandachtspunten gebruiken;
• Welke logistiek van handelen past bij het samenstellen van de themakast.
• Breng de meest gebruikte materialen tussen de 75 en 170 cm hoogte aan.
• Breng de opslag van materialen zoveel mogelijk in het gezichtsveld aan.(voordeel van geleidingsrail
• Zorg voor een goed leesbare inhoudsopgave aan de binnenzijde van de kastdeur.

 3.1.9 De mobiele werkplek

 3.1.9.1 De crashkar

Dit moet een individueel in te richten wagen zijn die de gebruiker samenstelt naar behoefte. Uit literatuuronderzoek betreffende de mobiele werkplek blijkt dat de wagens veelal niet zijn ontworpen voor de functie waarvoor ze zouden moeten dienen en dat de inrichting vaak over gespecialiseerd is. Voor een goede crashkar geldt dan ook: De wagen is in verschillende hoogten en breedten verkrijgbaar.
1. Er kan een flexibele indeling worden gemaakt door het aanbrengen van laden en schappen van verschillende afmetingen.
2. Er moeten voor medicamenten en kleine materialen verschillende vakverdelingen zijn om de inrichting naar behoren te organiseren.
3. De wagen, laden en containers moeten zijn uitgevoerd met ronde hoeken, dit voorkomt beschadigingen aan zowel de gebruiker als zijn werkomgeving. Het is ook een belangrijk hygiënisch aspect omdat zich in ronde hoeken geen vuil kan ophopen doordat het niet weg te halen is.
4. Het werkblad moet van een schokabsorberende stootrand zijn voorzien, kras vrij zijn en bestand zijn tegen agressieve stoffen.
5. Aan accessoires dienen beschikbaar te zijn:
Een tray voor een defibrillator die het werkblad vrij houdt.
Sluitingen met een sleutel of barcode (opiaten etc).
Rails aan de zijkanten voor het bevestigen van naaldenbekers, afvalemmer of katheterhouder.
Een opzetrail, eventueel gecombineerd met een in hoogte verstelbare infuusstandaard.

 3.1.9.2 De verbandwagen

Voor de chirurgische aspecten van bewaking op een verkoeverkamer is het noodzakelijk dat hiervoor een mobiele werkplek wordt ingericht. Welke chirurgische aspecten beogen interventie?
Meestal een bloeding en/of zwelling waardoor het gevaar van obstructie ontstaat zoals bv.:
• na een struma operatie,
• een voorste spondylodese,
• een compartimentsyndroom,
• een pneumothorax.
Welke materialen zijn nodig bij een chirurgische interventie op de verkoeverkamer?
• Gaas kompressen en operatie kompressen
• Wondverband, Tricot, Elastic Hospicrepe
• Pleisters
• Steriele handschoenen
• Thoraxdrain met mandrijn CH 14- CH 20
• Een soepele folie (b.v. Tegaderm) als wondverband.

• Hechtset
1 jodeerklem 1 chirurgisch pincet 1 anatomisch pincet
1 prepareerschaar 1 schoenmakerse schaar 1 naaldvoerder
• Hechtmateriaal
Vicryl 0, Vicryl 2-0, Vicryl 4-0, Ethilon 4-0, Mersilene 3-0

 Doelstellingen

De student kan de afmetingen van de ruimte rondom een verkoeverbed noemen.
De student kan het grondoppervlak van een verkoeverkamer naar aanleiding van een gegeven aantal bedplaatsen berekenen.
De student kan de additionele voorzieningen benoemen.
De student kan de aanvullende voorzieningen voor de verkoeverkamer benoemen.
De student kan het materiaal per bedplaats benoemen.
De student kan het materiaal voor de gehele verkoeverkamer benoemen.
De student kan de inrichtingsvoorwaarden nodig voor patiënten bewaking benoemen.
De student kan de inrichtingsvoorwaarden nodig voor de medicijnwandkast benoemen.
De student kan de inrichtingsvoorwaarden nodig voor de steriele medische hulpmiddelen benoemen.
De student kan de inrichtingsvoorwaarden voor de mobiele werkplek benoemen.
De student kent de regels voor kledingdiscipline op de verkoeverkamer.
De student kan de voorwaarden voor hygiënisch onderhoud op de verkoeverkamer benoemen.
De student kan de ideale klimatologische omstandigheden weergeven.
De student kan preventieve maatregelen benoemen ter voorkoming en bestrijding van luchtverontreiniging.
De student kan preventieve veiligheidscriteria ter voorkoming van brand benoemen.

terug naar het begin van dit hoofdstuk
terug naar de inhoudsopgave

 4 Technische voorzieningen op een operatiekamer

Bladwijzers:
4.1 Elektriciteit en elektrische veiligheid
4.2 Naamgeving en definities
4.2.1 Wat is gevaarlijk en wat is veilig?
4.2.1.1 Netspanningscontinuïteit, 4.2.1.2 Stroom door het lichaam, 4.2.2 Veiligheidsaarding, 4.2.3 Het 'zwevende' net,
4.2.4 Gestelsluitingsschakelaar of aardlek schakelaar, 4.2.5 Equipotentiaal aarding, 4.2.6 Veiligheidsclassificatie voor ruimten,
4.2.7 Voorzieningen tegen statische ontladingen, 4.2.8 Noodvoorziening,
4.2.9 Monitoring van de elektrische installatie
4.2.9.1 Meting van en alarmering op aardlekstroom, 4.2.9.2 Indicatie van aanwezigheid van netspanning, 4.2.9.3 Indicatie van belasting,
4.2.9.4 Aardfout paneel
4.3 Ventilatie verkoeverkamers
4.3.1 Het ventilatie systeem, de airconditioning
4.4 Ventilatie van operatiekamers
4.4.1 Overdruk ventilatiesysteem, 4.4.2 Cross-flow ventilatiesysteem, 4.4.3 Horizontal-flow ventilatiesysteem, 4.4.4 Down-flow ventilatiesysteem,
4.4.5 Laminar-flow ventilatiesysteem, 4.4.6 Geconcentreerd down-flow ventilatiesysteem, 4.4.7 Ventilatievoud en flowsterkte onder het plenum,
4.4.8 Drukhierarchie en bewaking van de overdruk
4.5 Gassen en vacuüm
4.6 Verlichting
4.6.1 Omgevingsverlichting
4.6.2 Onderhoud omgevingsverlichting
4.6.3 Verlichting van het operatieterrein
4.6.4 Onderhoud operatieverlichting
4.7 Röntgenfoto lichtkast
Doelstellingen

 4.1 Elektriciteit en elektrische veiligheid

Voor operatiekamers gelden wat elektriciteit betreft speciale voorzieningen. Deze voorzieningen en voorschriften werden samengevat in het normblad NEN3134. In 2012 werden de elektrische voorzieningen voor medisch gebruikte ruimten opgenomen in de veel algemenere norm voor elektrische installaties in gebouwen: de NEN1010:2012. In oktober 2015 wordt de NEN1010:2015 van kracht. Het gaat te ver om hier het hele normblad te behandelen, maar een aantal punten over de elektrische veiligheid zijn wel van belang.
De meeste ongevallen in ziekenhuizen zijn die waarbij geen elektrische veiligheid in het geding is, zoals: uit bed vallen, uitglijden over een net schoongemaakte vloer, magnetiseerbaar metalen delen die door de MRI magneet worden aangetrokken, 'op hol geslagen' karren van en naar de sterilisatie of de keuken, omvallende gasflessen en brand. De extra aandacht voor elektrische 'mishaps' komt voort uit de onvoorspelbaarheid en de onzichtbaarheid van elektrische fenomenen en de ernstige gevolgen. In 'root cause analysis' van ongevallen komen 'haastige spoed', onwetendheid, slechte ergonomie, bezuinigingen en miscommunicatie het vaakst naar voren als de basis oorzaak van een 'mishap' of een ongeval.

 4.2 Naamgeving en definities

Het elektriciteitsnet in een medisch gebruikte ruimte heeft nu een eigen naam: "Medisch Elektrisch Systeem".

Data en telecommunicatie netwerken heet nu: "Medisch IT Stelsel".

Galvanisch contact:
A. Een deel van een medisch elektrisch toestel dat bij normaal gebruik wel in fysiek contact met de patiënt moet komen om het toestel te laten functioneren (ECG elektrodes, elektrode(s) van een elektrochirurgietoestel). Heet ook: 'Applied Part' (AP)
B. Een deel van een medisch elektrisch toestel dat in contact met de patiënt kan komen (buitenkant van een anesthesietoestel). Heet ook 'accessible part'
C. Een deel van een medisch elektrisch toestel dat door de patiënt moet worden aangeraakt (operatietafel).

Het betreft wisselstroom van een frequentie van 15 tot 100Hz en een gestandaardiseerde stroomweg van de hand naar de voet.

Vormen van aarde:
AfkortingNaamSymbool
EQPEquipotentially point – potentiaalvereffening puntequipotentiaal aarding.
PEProtective earth – beschermingsaardeveiligheidsaarding.
FEFunctional earth – functionele aardefunctionele aarding.
Apparaten naar klasse:
klassebeschrijvingsymbool
Klasse 0geen extra bescherming, enkele isolatie. (mogen niet worden gebruikt op een operatiekamer)  
Klasse 1bescherming door metalen delen aan 'randaarde' te verbinden. veiligheidsaarding.
Klasse 2bescherming door dubbele isolatie. dubbelgeisoleerd.
Klasse 3Internally powered: accu boormachines etc. of via een transformator aangesloten op een veilig lage wisselspanning (< 42V) of op een veilig lage gelijkspanning (< 60V)lage spanning.
Apparaten naar type:
typebeschrijvingsymbool
Type BLage lekstroom en bescherming door veiligheidsaarde (verwarmingsdekens).Type B.B defibrillator bestendig.
Type BF (body floating)Extra geïsoleerd patiëntdeel, zwevend toestel. Het apparaat maakt contact met de huid of zelfs onder de huid (elektrochirurgie toestel, infuuspompen, maar niet met een CV-lijn!).Type BF.BF defibrillator bestendig.
Type CF(cardiac floating)Extreem goed geïsoleerd patiëntdeel, zwevend toestel. Met het apparaat mag op en in het hart worden gewerkt (monitor voor CVD meting of Cardiac output meting).Type CF.CF defibrillator bestendig.
Subverdeling door een toegevoegde aanduiding van 'defibrillatie bestendig' (rechts).

 4.2.1 Wat is gevaarlijk en wat is veilig?

 4.2.1.1 Netspanningscontinuïteit

In de NEN1010:2015 wordt hiermee voor het eerst rekening gehouden. De elektrische stroomvoorziening op de operatiekamer zal niet uitvallen tenzij de maximale waarde van 16A voor de betreffende groep wordt overschreden. Door ‘stroomtransformatoren’ wordt de stroom gemeten en indien de afgenomen stroom in de buurt van 16A komt, volgt een waarschuwing op het paneel.
Het gevaar van het aanraken van een spanningsvoerend deel van een apparaat of combinatie van apparaten, wordt door een scheidingstransformator ondervangen. Een 'aardfout' is geen reden om de aardfoutschakelaar of gestelsluitingschakelaar te laten 'afschakelen', maar zal op het paneel een melding geven.
Netspanningscontinuïteit wordt gevraagd bij beademingstoestellen, hart-longmachines, couveuses en andere apparaten waarbij "spanningsuitval niet mag leiden tot onacceptabel patiënten risico" (= gevaarlijk). In een aantal gevallen hebben deze toestellen een eigen 'battery back up' zoals bijvoorbeeld bij sommige operatielampen en anesthesietoestellen.
Netspanningsdiscontinuïteit is gevaarlijk bij bepaalde soorten van therapeutische apparaten.

 4.2.1.2 Stroom door het lichaam

De wet van Ohm:
De stroom (I) door een weerstand is
evenredig met de spanning (U) over die weerstand en
omgekeerd evenredig met de waarde van die weerstand (R).
Algebraïsch: I = U / R
I wordt uitgedrukt in Ampère (A)
U wordt uitgedrukt in Volt (V)
R wordt uitgedrukt in Ohm (Ω)

Voor de veiligheid gaat men er vanuit dat een stroom door het lichaam die een totale contractie van de hartspier veroorzaakt (en daarmee de pompfunctie stopt) gevaarlijk is. Dit heet het faradisch effect (naar de natuurkundige Faraday). De stroom is ook gevaarlijk als deze de prikkelgeleiding in het hart verstoort en zo hartstilstand of fibrilleren veroorzaakt.
Alle veiligheidsmaatregelen op een operatiekamer zijn erop gericht te voorkomen dat er stroom van 0,5mA of meer door het lichaam zou kunnen lopen. Een stroom van 0,5mA wordt niet waargenomen (is niet te voelen).
De weerstand van het lichaam is gemiddeld 1000ω (Ohm, naar de naam van de Duitse natuurkundige Ohm, aangeduid met de Griekse letter hoofdletter omega). Volgens de wet van Ohm zal er bij een spanning van 0,5V, 0,5mA stroom door een weerstand van 1000Ω lopen. (I=U/R De stroom is gelijk aan de spanning gedeeld door de weerstandswaarde).
Een stroom van 0,5mA door het lichaam is niet gelijk aan een stroom van 0,5mA door het hart, want het hart maakt een deel uit van het lichaam en krijgt daarom ook maar een deel van die stroom te verwerken. Daarnaast geldt dat 1000Ω een gemiddelde is en de werkelijke lichaamsweerstand van een patiënt op een operatietafel zowel hoger (Botten en vetweefsel geleiden elektriciteit slecht) als lager (spieren en bloed geleiden elektriciteit goed) kan zijn dan de aanname van 1000Ω. Men gaat bij de berekening van de veiligheid uit van een zogenaamd ‘worst case scenario’ waarin het hart maatgevend is voor de veiligheidsgrens.
Een stroom van 0,01mA met een frequentie van 50Hz door het hart, kan aanleiding zijn tot ventrikelfibrillatie. Dit markeert de grens voor de elektrische veiligheid. Om 0,01mA door 1000 Ohm te laten lopen is er een spanningsverschil van 0,01V nodig. Dat is veel lager dan de 0,5V spanningsverschil die men als veilig beschouwd. Nu zal alle stroom die door het lichaam loopt zich niet op het hart concentreren en zal er meer dan 0,01mA door het lichaam moeten lopen om fibrillatie te veroorzaken. Op een operatiekamer kan men met instrumenten heel dicht bij het hart komen en zou een instrument onder spanning staan, dan is het mogelijk dat er een te hoge stroom door het hart zal lopen.
Om veilig te zijn, mag er tussen 2 ‘aanraakbare’ metalen delen geen groter spanningsverschil bestaan dan 0,5V.
Zoveel is wel zeker; hoe lager de gebruikte spanning, des te lager is de stroom die door de patiënt kan lopen als er iets onverhoopt mis zou gaan. Om de mogelijkheid van elektrocutie tegen te gaan werden de volgende vormen van aandrijving voor toestellen op een operatiekamer toegepast.
• Hand of pedaal aandrijving (handboormachines voor het inbrengen van K-draden en een pedaal voor de hoogte verstelling van de operatietafel)
• Perslucht aangedreven toestellen (boormachines en beademingstoestellen)
• Aandrijvingen met een lage spanning (accuboormachines, operatietafels met accu’s voor de verstelling van de tafel, accu’s voor het verstellen van het bed)
Andere beschermende systemen zijn:
• Veiligheidsaarding
• Scheidingstransformatoren om een zwevend net te maken
• Gestelsluitingschakelaar (aardfout schakelaar)
• Equipotentiaal aarding

 4.2.2 Veiligheidsaarding

Figuur 20: Wandcontactdozen met randaarde en equipotentiaal aarding.
Wandcontactdozen met randaarde en equipotentiaal aarding.

In operatiekamers zijn alle wandcontactdozen voorzien van randaarde. Deze randaarde vormt een beveiliging voor alle toestellen waarvan de buitenkant uit metaal bestaat. Als bij kortsluiting in het toestel de buitenkant onder spanning komt te staan, loopt de stroom weg via de aardleiding en krijgt men geen 'schok'. Zou het toestel geen randaarde aansluiting hebben, dan loopt de stroom via diegene die het toestel aanraakt weg naar de vloer. Alleen toestellen met een volledig kunststof behuizing hoeven geen veiligheidsaarding te hebben.
De constructie van de stekker en de wandcontactdoos is zo gemaakt dat de verbinding tussen de contacten van de aarding bij het insteken van de stekker als eerste tot stand wordt gebracht en bij het uitnemen van de stekker als laatste wordt verbroken.
Bij een fout in het toestel waardoor er spanning ergens op de buitenkant van het toestel zou komen staan, gaat dan een stroom lopen naar aarde. De ‘aarde’ wordt gemaakt door een koperen draad in de grond te slaan tot er een weerstand ‘naar aarde’ is bereikt van 15Ω of minder. Soms moet, om een voldoende lage weerstand te bereiken, deze draad tot in het grondwater worden geslagen. In oude huizen werd deze draad wel aan de waterleiding gelegd. Het waterleidingnet was zo groot, dat het meestal een weerstand had die lager was dan 15Ω. Bij een spanning van 230V zou hierdoor een stroom van 16A kunnen lopen en dat is zo groot dat de ‘stop doorslaat’.
De maximale stroom is voor de meeste installaties 16A per groep(en dus veel groter dan 30mA!). Dit is wel iets veiliger dan helemaal geen aarde, maar niet veilig genoeg voor de moderne operatiekamer.

 4.2.3 Het 'zwevende' net

Figuur 21: Scheidingstransformator.
Scheidingstransformator.

Gewoonlijk wordt in huizen en ziekenhuizen de nulleider aan aarde verbonden (in de meterkast en in de transformatorhuisjes). Overal waar je de ‘fase’draad aanraakt, kan er een stroom naar aarde door je heen lopen.
In de operatiekamers wordt gebruik gemaakt van een 'zwevend' net. Dit betekent, dat je twee aders van de stroomvoorziening tegelijkertijd moet aanraken om een schok te krijgen. Daar dit zelden voorkomt, verhoogt dit de veiligheid. Het 'zwevende' net wordt gemaakt door een scheidingstransformator. De wandcontactdozen van het zwevende net worden meestal gekenmerkt door een andere kleur (meestal groen of oranje) dan de wandcontactdozen van het geaarde net (zie figuur 20).

 4.2.4 Gestelsluitingsschakelaar of aardlek schakelaar

Figuur 22: Gestelsluitingsschakelaar, aardlek- of aardfout schakelaar.
Gestelsluitingsschakelaar, aardlek- of aardfout schakelaar.

Er is een manier om te meten of er een stroom naar aarde loopt. Een stroom die naar aarde weglekt, komt niet meer terug door de draden in de steker (en door de draden in de rest van de installatie). In een spoel kunnen de ‘heengaande’ en de ‘terugkerende’ stroom een magnetisch veld opwekken, dat even groot is (als de stromen maar even groot zijn). Door de stromen tegengesteld door de wikkelingen te laten lopen, heffen deze magnetische velden elkaar op en wordt er geen resulterend magnetisch veld opgewekt. Als het stroomverschil in de wikkelingen groot genoeg is omdat er stroom via aarde weglekt, wordt er in de spoel een zo sterk magnetisch veld opgewekt, dat dit de elektromagnetische schakelaar activeert en de verbinding met het net wordt afgeschakeld. ‘De aardlek schakelaar is eruit geklapt’ zegt men dan.
Het verschil in stroomsterkte tussen fase en nul hoeft maar 30mA te zijn om de gestelsluitingschakelaar te laten verbreken. Zelfs als er een stroom van 30mA via de patiënt ‘weglekt’ zal de stroom door de patiënt nooit boven de 30mA komen en dat is veel minder dan 16A.

 4.2.5 Equipotentiaal aarding

Figuur 23: Equipotentiaal aarding.
Equipotentiaal aarding.

Deze vorm van aarde wordt toegepast in alle ruimten waar BF of CF toestellen kunnen worden aangesloten. Het wordt ook wel eens aangeduid met “schone aarde”. In een operatiekamer moeten alle voorwerpen, ongeacht of ze met het net zijn verbonden, waarvan de buitenzijde van metaal is en een oppervlak van meer dan 10cm2 hebben, met een equipotentiaal lijn zijn verbonden via een aardleiding. De doorsnede van de aardleiding is afhankelijk van de elektrische weerstand die nodig is om de aardstroom af te kunnen voeren. Bij hoge stromen naar aarde is een doorsnede van 6mm2 nodig om deze stroom goed af te voeren. Deze aardleidingen komen samen op een speciale aardingsrail in de ruimte waarin de aansluitingen aanwezig zijn (zie foto).
De equipotentiaal leidingen zijn te herkennen aan hun kenmerkende groen/gele kleur van de isolatie. De oorspronkelijke doelstelling was het tegengaan van storing van meetsignalen van ecg, emg en eeg apparaten, vandaar ook de naam equipotentiaal leiding of spanningsvereffening leiding. Met de nieuwe NEN1010:2015 heeft deze leiding op de operatiekamer wel een veiligheidsfunctie gekregen.
Deze aarding is nu wel een veiligheidsaarding geworden, maar mist één van de kenmerkende eigenschappen van een veiligheidsaarding. Het is namelijk mogelijk het toestel eerst op het net aan te sluiten zonder de aardverbinding te maken. Deze vorm van aarding mag dan ook niet in de plaats komen van een veiligheidsaarding in de stekker. Het is een goede gewoonte de equipotentiaal lijn eerst aan te sluiten voordat het toestel op het net wordt aangesloten, door het eerst aansluiten van de equipotentiaal lijn is de ‘beste aarding’ al aanwezig voor de veiligheidsaarde via de stekker wordt aangesloten.

 4.2.6 Veiligheidsclassificatie voor ruimten

Er is een veiligheidsclassificatie voor ruimtes in een ziekenhuis. Deze wordt aangegeven door een S met daar achter een nummer. Volgens NEN3134 is de ruimte ingedeeld in de klassen S0 t/m S3 afhankelijk van het gebruik van die ruimte. De NEN3134 voor medisch gebruikte ruimten is in 2012 ‘verhuisd’ naar de NEN1010:2012. Zij zijn toen ingedeeld in de klassen S0 t/m S3. Met de invoering van de NEN1010:2015 wordt dit vervangen door een andere indeling. Er wordt nu gesproken over ‘groepen’ en er zijn er drie; groep 0 t/m 2.
Groep 0:
Een medisch gebruikte ruimte niet bedoeld voor het gebruik van patiëntendelen (elektroden voor ECG, EEG, EMG en elektrochirurgie) en waarbij onderbreking van de stroomtoevoer geen voor de patiënt levensbedreigende consequenties heeft. Op een operatiekamercomplex valt hieronder de gang en mogelijk een onderzoeksruimte waarin zich geen monitoren met elektroden bevinden. Kantoorruimtes, koffiekamer, opslag ruimtes en opdekruimtes zijn hiervan buitengesloten, omdat zich hier geen patiënten aan een monitor zullen bevinden die op enigerlei wijze een medische behandeling ondergaan.
Groep 1:
Een medisch gebruikte ruimte waarin wel met patiëntendelen wordt gewerkt op en binnen de huid (elektroden voor ECG, EEG, EMG en elektrochirurgie) en waarbij onderbreking van de stroomtoevoer geen voor de patiënt levensbedreigende consequenties heeft. Op een operatiekamercomplex vallen hieronder de anesthesie voorbereidingsruimtes, de verkoeverkamer en in een aantal gevallen de operatiekamers zelf, op voorwaarde dat er voor de operatielampen en het anesthesiebeademingstoestel maatregelen zijn getroffen in de vorm van een ‘battery back up’ systeem. Perfusorpompen hebben dat in bijna alle gevallen. Bij ruimten in groep 1 mogen geen centraal veneuze lijnen, pacemaker katheters en (al dan niet scopische) cardiologische ingrepen worden verricht.
Groep 2:
Een medisch gebruikte ruimte waarin met patiëntendelen wordt gewerkt op en binnen de huid (elektroden voor ECG, EEG, EMG en elektrochirurgie) en binnen of in de nabijheid van het hart wordt gewerkt en waarbij onderbreking van de stroomtoevoer voor de patiënt levensbedreigende consequenties heeft of daartoe kan leiden. Dit zijn de anesthesie voorbereidingsruimten waarin ‘lange lijnen’ en ‘Schwan-Ganz’ katheters worden ingebracht, operatiekamers voor cardiochirurgie en andere ingrepen die katheters in het hart vereisen, verkoeverkamers en intensive care afdelingen, waarin patiënten worden behandeld, die infusen hebben tot ‘in het hart’, ‘aan de beademing’ liggen en operaties in en aan het hart ondergaan.

 4.2.7 Voorzieningen tegen statische ontladingen

Bij de vloer is sprake van een zeer speciale situatie. Als de vloer geleidend is bestaat er bij het ontbreken van een veiligheidsaarding meer kans op een elektrische schok.
Als de vloer isolerend is, is de kans groter om statisch te worden opgeladen. Dit kan brandgevaar geven, want als de lading een vonkje veroorzaakt en er worden brandbare stoffen (chirurgie) of gassen (anesthesie) gebruikt, kunnen een grote ontploffing en brand het gevolg zijn. Soms zijn de apparaten in deze operatiekamers van een extra aardverbinding met een aparte aansluiting voorzien (metalen kettinkje tot op de vloer).
Er wordt tegenwoordig voor een middenweg gekozen: de vloer wordt halfgeleidend gemaakt. In de vloer wordt dan een koperen netwerk gelegd en dat netwerk wordt geaard. Boven op dit netwerk komt de vloerbedekking. In de vloerbedekking wordt koolstof verwerkt en dit maakt deze vloerbedekking enigszins geleidend. De vloer is nu dusdanig geleidend dat het onmogelijk is geworden om deze statisch op te laden (de lading loopt via de koolstof naar het koperen netwerk en dan naar de aarde. Sinds de opname van medische behandelruimtes in de NEN1010:2015 is de vloer geen onderdeel meer van het systeem van elektrische veiligheid en geldt een toestel in de operatiekamer zonder verbinding met een contactdoos (bv. een metalen krukje) als ‘geïsoleerd opgesteld’.

 4.2.8 Noodvoorziening

In een aantal gevallen is de operatiekamer voorzien van een speciale installatie om ingeval van een stroomstoring toch te kunnen blijven branden. Deze noodstroomvoorziening bestaat soms uit een accubatterij of uit een aansluiting op een 'no-break' set.
Vroeger werd alleen het licht via een dergelijke voorziening aangesloten. Tegenwoordig zullen elektrochirurgietoestellen en beademingsapparatuur op de verkoeverkamer en de IC ook een aansluiting hebben op een noodstroomvoorziening. Deze aansluiting op een noodstroomvoorziening is niet hetzelfde als de netspanningscontinuïteit genoemd in de NEN1010:2015. De netspanningscontinuïteit voor een operatiekamer geldt alleen voor de operatiekamer en de daarin aangesloten medische apparatuur.
Een no-break set is een dieselmotor met een dynamo. De dynamo werkt in eerste instantie als elektromotor en blijft draaien door de energie die het lichtnet levert. Zodra de stroom uitvalt start de dieselmotor en drijft de elektromotor verder aan die nu als dynamo functioneert. Soms is een kleine flikkering in het licht alles wat wordt opgemerkt van een stroomstoring.

 4.2.9 Monitoring van de elektrische installatie

Er is al lang een vorm van monitoring van het medisch elektrisch systeem geweest, maar vaak was dat heel banaal in de vorm van een controlelampje om aan te geven dat de OK-lampen werkten, de scheidingstransformator het deed en een lampje ter indicatie van de ventilatie op de operatiekamer. Dit is voor de nieuwe systemen absoluut onvoldoende.

 4.2.9.1 Meting van en alarmering op aardlekstroom

Onafhankelijk van hoe goed een medisch elektrisch apparaat is geconstrueerd, er is altijd een aardlekstroom. Die is klein bij type B apparaten, nog kleiner bij type BF apparaten en het kleinst bij type CF apparaten, maar is nooit 0. Door op een operatiekamer alle te gebruiken toestellen op de contactdozen aan te sluiten en aan te zetten, zal deze onvermijdelijke lekstroom gaan lopen. Deze stroom is geen ‘aardfout’ stroom, want er is nog ‘geen fout situatie’. Pas indien er veel meer dan deze lekstroom gaat lopen kan dit wijzen op een gevaarlijke situatie en zal voor de veiligheid van de patiënt de installatie moeten worden uitgeschakeld.
Bij het inpluggen van een ‘vreemd’ apparaat, zal de lekstroom toenemen boven het niveau lekstroom van de normaal aanwezige apparaten en zal er een alarmering volgen op het ‘aardfout’ paneel. Om de oorzaak van een storing of bijna storing goed traceerbaar te maken, beveelt de NEN1010 aan om bij elke contactdoos aan te geven welk toestel daar ‘standaard’ wordt aangesloten zoals bijvoorbeeld: ‘scopietoren’, ‘elektrochirurgie toestel’, ‘patiënt verwarming’ of ‘C-boog’.
Bij de ‘groep 2’ ruimten is er netcontinuïteit ‘garantie’ en zal de aardfoutschakelaar er niet ‘uitklappen’ (dan zou er geen netcontinuïteit zijn), maar volgt alarmering. Een indicatielampje voor die alarmering kan aanwezig zijn bij alle contactdozen die door deze voorziening worden bewaakt.

 4.2.9.2 Indicatie van aanwezigheid van netspanning

In groep 2 ruimten moeten alle contactdozen zijn voorzien van een indicatielampje voor de aanwezigheid van netspanning.

 4.2.9.3 Indicatie van belasting

Om te voorkomen dat er een ‘grootverbruiker van stroom’ wordt aangesloten op een serie contactdozen waar al een grote stroomafname is (de anesthesieventilator en ECG monitor en de verwarmingsdeken), wordt de opgenomen stroom van die groep gemeten en bewaakt. Zo kan er bij dreigende overbelasting eerst worden gewaarschuwd voordat het anesthesietoestel wordt uitgeschakeld en de beademing van de patiënt wordt gestopt. Deze maatregel is alleen voor groep 2 ruimtes omdat daar aan netcontinuïteit wordt gedaan.

 4.2.9.4 Aardfout paneel

NEN1010:2015 geeft aan dat de alarmeringen ‘leesbaar’ moeten worden uitgelegd op het scherm. Alleen indicatielampjes met ‘groep b: alarm’ volstaan niet meer, het moet worden: ‘Groep b: Alarm: aardlekstroom boven 10mA’ of ‘Groep a: Alarm: belasting boven 70% van de nominaal waarde’, of een dergelijke uitleg. Verder is het aantal contactdozen per groep beperkt en daarmee ook het aantal vereffeningspunten.

 4.3 Ventilatie verkoeverkamers

Gezonde binnenlucht is steeds moeilijker te vinden, maar in tegenstelling tot de buitenlucht zijn er directe en adequate maatregelen te nemen om de kwaliteit van de binnenlucht te verbeteren. En als de kwaliteit van de binnenlucht verbetert, verbetert ook de kwaliteit van leven en werken.
De ideale klimatologische omstandigheden op een verkoeverkamer voldoen aan de volgende voorwaarden:
• Temperatuur:
De ideale temperatuur voor dun geklede mensen is 23oC. De patiënt op de verkoeverkamer valt in deze categorie. In verband met afkoeling van de operatiepatiënt dient er een temperatuur van 25oC te heersen. Het verwarmingssysteem is bij voorkeur van het "warme lucht/airconditioning" type.
• Luchtvochtigheid:
De normale vochtigheidsgraad van 55% rel. Hum. moet gehandhaafd kunnen worden.
• Ventilatie:
Een ventilatie-stromingspatroon zoals op een operatiekamer is niet noodzakelijk. Ventilatie is noodzakelijk vanwege uitgeademde anesthesiegassen. De eisen voor een ventilatiesysteem voor de verkoeverkamer worden in de volgende paragraaf weergegeven.

 4.3.1 Het ventilatie systeem, de airconditioning

Figuur 24: Laag geplaatste afzuiging achter de bedplaats.
Laag geplaatste afzuiging achter de bedplaats.

De luchtverversing op de verkoeverkamer is over het algemeen beduidend minder dan in de operatiekamer (20 tot 50% beneden de capaciteit van een OK of een ventilatievoud van 10). De verkoeverkamer dient te beschikken over een onafhankelijk ventilatiesysteem, dat te regelen is.
Aan de hand van het aantal patiënten dat wordt aangeboden kan het noodzakelijk zijn dit te veranderen. Hetzelfde geldt voor de temperatuur en de vochtigheidsgraad. De vereiste ventilatievoud voor de verkoeverkamer is vastgesteld op 10 (het aantal malen per uur dat de gehele luchtinhoud van de verkoeverkamer wordt ververst).
In verband met de aanwezigheid van de zware (zwaarder dan lucht) uitgeademde narcosegassen moet de verkoeverkamer voorzien zijn een laag geplaatste afzuiging achter de bedplaatsen.
In de ziekenhuizen waar de mechanische ventilatie voor onvoldoende afvoer zorgt, zou de introductie van de postoperatieve Anavac P bronafzuiging van Medicvent op de verkoeverkamer een oplossing zijn.
 
 
 

 4.4 Ventilatie van operatiekamers

Figuur 25: Reinigen van een ventilatiekanaal.
Reinigen van een ventilatiekanaal.

In een ruimte die verder naar buiten toe afgesloten moet zijn, lijkt het logisch dat er moet worden geventileerd. Met deze ventilatie kan dan tevens invloed uitgeoefend worden op de temperatuur en relatieve vochtigheid in die ruimte. Door dit ventilatiesysteem kan ook de lucht worden schoongemaakt.
Lucht is alleen schoon te houden door deze te verdringen met andere schone lucht. Lucht kan steriel worden gemaakt door filteren. Door deze gefilterde lucht in te blazen wordt de lucht ververst en de 'vuile' lucht verdrongen.
De ventilatiekanalen die de schone lucht inblazen moeten zelf ook schoon gehouden worden. Gebeurt dit niet dan kunnen de aanwezigen in een dergelijke ruimte infectieziekten oplopen. Een besmetting via de lucht uit ventilatiesystemen noemt men het 'sick building syndrome', een wel zeer gevaarlijke uiting hiervan is de beruchte legionairsziekte, die veroorzaakt wordt door een micro-organisme dat zich ophield in de bevochtiger van een airconditioningsysteem. De afbeelding laat het reinigen van een ventilatiekanaal zien vol met stof en daarmee onvermijdelijk met micro-organismen! Dit reinigen moet regelmatig plaatsvinden, maar toch zeker een keer per 5 jaar.
Ventilatie van OK's met behulp van airconditioning is niet altijd vanzelfsprekend geweest. Vroeger zette men gewoon de ramen open, wel met een hor ervoor tegen de vliegen. Bij ziekenhuizen waar de ventilatiekanalen al lange tijd niet zijn gereinigd, is dit zelfs hygiënischer dan te vertrouwen op de airconditioning. Micro-organismen uit de airconditioning zijn zeer waarschijnlijk al resistent tegen de in het ziekenhuis gebruikte antibiotica, terwijl de micro-organismen van buiten het ziekenhuis dit waarschijnlijk niet zijn.
Er zijn speciale ventilatiepatronen ontworpen voor operatiekamers om de plaats waar de patiënt wordt geopereerd 'schoon' te houden.

 4.4.1 Overdruk ventilatiesysteem

Figuur 26: Overdruk ventilatiesysteem.
Overdruk ventilatiesysteem.

Dit begon door lucht via filters in te blazen en zo ontstond overdruk. Deze veroorzaakte de constante luchtstroom naar de gang toe, die moest voorkomen dat er stof met micro-organismen van de gang naar de operatiekamer werd geblazen. Dit principe wordt vandaag de dag nog gebruikt. Het is zaak om deuren zoveel mogelijk dicht te laten teneinde zo de overdruk te handhaven.
In moderne operatiekamercomplexen is er sprake van een drukhiërarchie, dat wil zeggen dat de hoogste druk wordt gehandhaafd op de OK's en dat er in de ruimten die aan de OK's grenzen een iets lagere druk heerst. De druk in de ruimten die aan de OK's grenzen is echter weer iets hoger dan de druk op de gang van het ziekenhuis. Door deze drukhiërarchie wordt het onmogelijk om stof en micro-organismen vanaf de gang in het ziekenhuis de OK's op te blazen.

 4.4.2 Cross-flow ventilatiesysteem

Figuur 27: Cross-flow.
Cross-flow.

Om de ventilatie nog meer te verbeteren heeft men het gezocht in het beïnvloeden van het stromingspatroon of ventilatiepatroon van de lucht op de operatiekamer. Het eerste ventilatiepatroon was het cross-flow systeem.
De lucht werd van een bovenhoek naar de tegenoverliggende benedenhoek geblazen. In deze benedenhoek wordt een deel van de lucht afgezogen. (Als alles wordt afgezogen ontstaat er geen overdruk) Een nadeel van dit systeem is dat het juist in het gebied van de operatietafel ongecontroleerde wervelingen oproept. Door deze wervelingen is er geen controle op de stofverplaatsing in het wondgebied en is de infectiekans groter.

 4.4.3 Horizontal-flow ventilatiesysteem

Figuur 28: Horizontal-flow.
Horizontal-flow.

Het horizontal-flow ventilatiesysteem is een variatie op het cross-flow systeem. De schuine wanden zijn bij dit systeem niet noodzakelijk omdat de uitstroom opening verticaal is opgesteld. Men dacht dat dit systeem geen 'wind schaduw' van de operatietafel zou veroorzaken en dus ook geen wervelingen in het gebied van de operatietafel. Aan deze voorwaarden wordt inderdaad voldaan indien de stroming uit het plenum (de uitstroomopening) sterk genoeg is en de instrumenterende met de overzet aan de kant van het plenum staat.
Voor het goede functioneren van dit systeem is de stroming van verse lucht uit het plenum zo sterk dat indien de instrumenterende dicht bij het plenum staat, de pakjes hechtmateriaal van de overzet 'waaien'.

 4.4.4 Down-flow ventilatiesysteem

Figuur 29: Down-flow.
Down-flow.

Een andere manier om het bezwaar van wervelingen te ondervangen is het down-flow systeem. De lucht wordt vanuit het plafond naar beneden geblazen.
Er schuilt een probleem in de manier van afzuigen. Want waar moet dat gebeuren zonder het ventilatiepatroon te verstoren? Zo laag mogelijk, maar dat geeft weer wervelingen. Bovendien ontstaan er door de massieve stroom naar beneden, onder andere wervelingen onder de operatielamp. Voor dit systeem is bovendien veel lucht nodig waardoor het een duur ventilatiesysteem is, want die lucht moet verwarmd en bevochtigd worden om een goed werkklimaat te geven. Dit laatste maakt het systeem duur in gebruik.

 4.4.5 Laminar-flow ventilatiesysteem

Figuur 30: Laminar-flow.
Laminar-flow.

Beter wordt het met een laminar-flow systeem. Bij dit ventilatiesysteem is er als het ware een luchtgordijn dat de omgeving van de operatietafel afschermt. Vaak zijn deze ventilatiesystemen te herkennen aan een kap boven de operatietafel. In die kap zitten dan extra openingen waardoor een grotere hoeveelheid lucht wordt uitgeblazen. Hierdoor ontstaat een onzichtbare (maar wel goed voelbare) tochtstroom die voor wat betreft de richting en de sterkte controleerbaar is. Deze tochtstroom werkt als een gordijn. Soms wordt dit 'gordijn' aangevuld met 'echte’ gordijnen in de vorm van doeken, stoken kunststof of panelen van plexiglas.
Het ventilatiesysteem werkt niet goed wanneer zich in het gebied van het luchtgordijn een object bevindt, zoals een overzet- of instrumententafel.

 4.4.6 Geconcentreerd down-flow ventilatiesysteem

Figuur 31: Geconcentreerd down-flow.
Geconcentreerd down-flow.

Het bezwaar van verstoring van een luchtgordijn geldt niet meer bij een geconcentreerd down-flow ventilatiesysteem. Bij dit systeem is er geen gebied waar een luchtgordijn aanwezig is. De lucht wordt in een beperkt gebied boven de operatietafel naar beneden geblazen en afgezogen bij de vloer en vlak onder het plafond.
Voor de laatste twee systemen geldt dat het vaak erg koud is onder de uitblaas opening. Dit komt door de grote hoeveelheid lucht die uitstroomt.
Door de grote omvang van de luchtverversing verdampt er veel vocht en dit onttrekt warmte aan de patiënt en aan degene die in de luchtstroom staan.

 4.4.7 Ventilatievoud en flowsterkte onder het plenum

Door de lucht in een operatiekamer vaak te verversen door steriel gefilterde lucht, kan de met micro-organismen verontreinigde lucht worden verdreven.
Nu maakt men gebruik van systemen waarbij deze gefilterde lucht voor een deel bestaat uit de afgezogen lucht uit een operatiekamer. Op deze manier kan er voor een flink deel op de kosten van airconditioning worden bespaard want de gebruikte lucht is dan al verwarmd en bevochtigd. Onderzoekers stelden vast, dat er meetbare lachgasconcentraties aanwezig waren in de lucht uit de uitblaasopening van het ventilatiesysteem.
De plaats van aanzuigen van de lucht moet zorgvuldig worden bepaald, zodat er geen kerosine van de helihaven op het dak, de lucht van spruitjes uit de keuken, gebruikte, door de patiënt uitgeademde anesthesiegassen of andere bronnen van stank de atmosfeer van de operatiekamer beïnvloeden. Indien het narcosegas afzuigsysteem uitmondt in de afzuigopening, mag beslist geen gebruik worden gemaakt van een mengend systeem. De aanschafprijs en de bedrijfskosten van een dergelijke voorziening zijn erg hoog. Alle aangezogen lucht moet worden gecontioneerd tot de juiste waarden (50% rel. hum. en 22oC). In verband met de aanwezigheid van de zware (zwaarder dan lucht) narcosegassen moet de operatiekamer voorzien zijn een laag geplaatste afzuiging.
Nu er een kwaliteitscontrole bestaat op de afzuiging van narcosegassen en het gebruik van lachgas sterk is afgenomen, zijn mengende systemen geherintroduceerd.
Het aantal malen per uur dat de lucht in de operatiekamer wordt ververst, heet het ventilatievoud. Bij nieuwbouw van een operatiekamer moet het ventilatiesysteem minimaal een ventilatievoud van 20 keer per uur hebben. Dit ventilatievoud was het hoogst haalbare voor niet-mengende sytemen. Het was de hoogste flow die nog 'te conditioneren' was. Bij mengende systemen is door hergebruik van de reeds geconditioneerde lucht, een hoger ventilatievoud (tot wel 70) haalbaar.
Met deze installaties is het maximum aan verbetering van de infectiecijfers uit het flow patroon en ventilatievoud behaald. Onderzoeken geven aan dat alleen de plaatselijke flow onder de laminar flow nog bepalend is voor de infectiecijfers. Bij de moderne installaties geldt de flow onder het down flow plenum als bepalend voor de goede werking van de installatie.

 4.4.8 Drukhierarchie en bewaking van de overdruk

Figuur : OK deur met drukverschilindicatie.
OK deur met drukverschilindicatie.

De eerste ventilatiesystemen deden het infectiepercentage in grote mate dalen. Gebaseerd op deze verbetering heeft men kort daarna al een drukhierarchie ingesteld. Dit houdt in dat de druk in de operatiekamers hoger is dan de druk 'op de gang' en dat de druk daar weer hoger is dan in de rest van het beddenhuis.
Deze gedachtengang leidde er toe dat bij het opereren van een patiënt met een infectie de ventilatoren 'zachter' werden gezet om juist de micro-organismen van die infectie niet het ziekenhuis 'in te blazen'. Deze redeneertrand lijkt logisch, maar komt niet overeen met wat er echt gebeurd. Micro-organismen worden met het stof uit de operatiekamer verspreid, maar micro-organismen uit pus zitten niet op stofdeeltjes en kunnen daardoor ook niet de gang op worden geblazen. De ventilatiestand voor gebruik bij een patiënt met een infectie was dus niet zinvol.
Omdat de ventilatie-installatie veel energie gebruikte werd deze aan het einde van de dag uitgezet om energie te besparen. Op het gebied van microbiële hygiëne is dit niet zinvol omdat het stof in de avond dan neersloeg op de grond en de volgende dag door het personeel dat de operatiekamer op komt, weer wordt opgedwarreld. Het is beter de ventilatie-installatie de gehele nacht door te laten werken om zo een schone operatiekamer te hebben bij het begin van het programma.
Ventilatie-installaties zijn kostbaar en gebruiken nog steeds veel energie, zij leveren een bijdrage aan de daling van de infectiepercentages die ongeveer even groot is als de introductie van antibiotica, met dit verschil dat er geen resistentie tegen is op te bouwen door micro-organismen. Het is dan ook zaak de werking van de ventilatie niet te 'torpederen' door onnodig deuren open te laten. De moderne OK-deuren sluiten hermetisch af en het functioneren van die afsluiting kan worden gecontroleerd met een drukverschil meter en worden aangegeven in hPa, maar ook met indicatielampen in de vorm van een soort 'stoplicht' (groen is goed, oranje is een klein drukverschil en rood is een te klein of geen drukverschil).
Deze controle is in de nieuwste installaties vervangen door de controle op de flow onder het plenum.
De nieuwste deursystemen zijn uitgerust met een micro-processor en geven via een netwerk meetwaarden door aan een 'logger'. Dit systeem bewaakt dan de druk en kan ook precies aangeven hoevaak de deur is open gegaan tijdens de operatie. Hierdoor is het openen van de deuren tijdens de operatie te verbinden aan infectiepercentages.
Er is geen 'normblad' voor de ventilatie van de operatiekamers. Meestal hanteert men de norm voor industriële 'clean rooms'; ISO 14644-1. Klasse 1 t/m 9 , waarbij klasse 1 de schoonste is. Het 'schoonst' betekent hier dat het voldoet aan een maximum voor het aantal deeltjes per volume lucht.
In ziekenhuizen, maar dan buiten de operatiekamers gebruikt men de GMP-z. Deze normering kent vier klassen, te weten A t/m D. Deze norm is van toepassing op de verkoeverkamer. Heeft de verkoeverkamer een IC-functie, dan is daarvoor de (andere) IC normering voor van toepassing.

 4.5 Gassen en vacuüm

Tabel 4: Gassen en hun drukken en kleurcodes
O2 3,5 - 7 Bar
N2O 3,5 - 7 Bar
Lucht 3,5 - 7 Bar
vacuüm -0,8 - -0,5 Bar

Veel operatiekamercomplexen hebben een centrale voorziening voor gassen en vacuüm. Centrale voorzieningen zijn 'schoner' dan losse gasflessen en een vacuümpomp op de operatiekamer.
Op een centraal punt zijn detectors aangebracht die drukdalingen of het teruglopen van het vacuüm bewaken. De Europese normering voor gasdrukken en hun genormeerde kleuren staan in tabel 4.
In de operatiekamers zelf zijn manometers aangebracht of een alarmeringssysteem. Een controle van deze meters hoort tot de dagelijkse werkzaamheden.
Na de brand op het operatiekamercomplex van het ziekenhuis te Almelo is in Nederland de verplichting gesteld alle gassen op een operatiekamer van buiten de operatiekamer af te kunnen sluiten zodat bij brand het mogelijk is de toevoer van brandbevorderende gassen te stoppen. De afsluiters hiervoor behoren naast de ingang van de operatiekamers.

Figuur 31a: Noodafsluiters van gassen.
Noodafsluiters van gassen.
 

 4.6 Verlichting

Figuur 32: Verlichting door buitenlicht.
Verlichting door buitenlicht.
Voor een goede verlichting kon aanvankelijk alleen de zon zorgen. Dus: operatiekamers werden ruimtes met grote glaspartijen en als de chirurg het niet zo goed meer kon zien dan werd de operatietafel dichter bij het raam geschoven.
Met de komst van het elektrisch licht veranderde dit al snel. Er werden operatielampen gemaakt die naast licht ook nog veel warmte afgaven. Onder de lampen heerste een aangename temperatuur voor... micro-organismen! De chirurg en omstanders stonden te transpireren en maakten de omgeving bepaald niet hygiënischer.
 
 
 
 

 4.6.1 Omgevingsverlichting

Welke eisen moeten we aan het licht op een operatiekamer stellen?
• Het licht moet 'wit' van kleur zijn.
Wit is geen kleur maar het heeft alle delen van het spectrum in zich.
Waarom moet het licht wit zijn? Om de kleur van de patiënt goed te kunnen beoordelen. Stel eens voor dat de verlichting op een operatiekamer uitgevoerd zou zijn met natriumlampen (dat geel-oranje licht van straatverlichting). Kijk maar eens naar iemands lippen bij dit licht. Die hebben dan een allesbehalve 'gezonde' kleur.
• Het licht mag niet verblindend zijn.
Bedenk ook dat de patiënt soms medicijnen heeft gekregen, waardoor de pupillen wijd open staan en niet door het licht kunnen worden vernauwd. Het licht doet pijn aan de ogen!
Ook voor het personeel in de operatiekamer is verblindend licht vervelend. Het is fijn als het licht in de operatiekamer regelbaar van intensiteit is.
• Het licht moet schaduwvrij zijn.
Dit betekent dat het licht geen schaduw mag geven. Dit is het geval wanneer een lichtgevend vlak als verlichting wordt gebruikt en niet een puntvormige lichtbron. Waarom? Schaduwen van instrumentarium maken het moeilijker om een snel overzicht te krijgen op een instrumententafel.
• Welke soort verlichting kan hieraan het best voldoen? In de meeste gevallen: tl-verlichting.
Tl-verlichting is echter wat moeilijk in sterkte te regelen, maar onmogelijk is het niet!
Omdat een tl-buis 100 keer per seconde aan en uit gaat is het licht ervan soms onaangenaam trillend en geeft het een z.g. ‘stroboscopisch effect’ waarbij, ingeval van draaiende apparaten, het lijkt of het apparaat stilstaat of zelfs achteruit draait. Door de starter en de smoorspoel te vervangen door een hoogfrequent omvormer zal de tl-buis meer dan 1000 keer per seconde aan en uitgaan en dit is zo snel dat het oog te traag is om dit te volgen. Het stroboscopisch effect treedt daarbij ook niet meer op. Alle moderne operatiekamers hebben tegenwoordig deze hoogfrequent tl-verlichting en deze is daarbij ook goed in sterkte regelbaar.

 4.6.2 Onderhoud omgevingsverlichting

Tl-verlichting vraagt weinig onderhoud. Een tl-buis heeft een gemiddelde levensduur van 5000 uur.
De armaturen op een operatiekamer zijn vaak van een speciale (stof)dichte constructie. In de meeste gevallen zal de technische dienst moeten komen om een defect te repareren.

 4.6.3 Verlichting van het operatieterrein

Figuur 33: Oude operatielampen.
Oude operatielampen.

Naast omgevingsverlichting kennen we ook nog operatieverlichting. De eisen waaraan deze verlichting moet voldoen zijn dezelfde maar de intensiteit moet groter zijn en de afmeting compact. Deze compactheid is nodig omdat een grote lamp het ventilatiepatroon danig verstoort.
De operatielampen moeten onder bepaalde hoeken kunnen worden gericht om als 'spotlight' te kunnen werken. Tl-verlichting is hier niet compact genoeg voor, gloeilampen produceren te veel warmte.
Vanwege de afmetingen moeten we gebruik maken van speciale gloeilampen, namelijk halogeenlampen. Deze kunnen de hoeveelheid elektrische energie in meer licht om te zetten dan gewone gloeilampen. Halogeenlampen zijn kleiner en gemaakt van kwartsglas om de hoge temperatuur te kunnen verdragen. Door gebruik te maken van speciale spiegels of 'koud licht' filters wordt een groot deel van de warmte weggehouden van het operatieteam. Het is duidelijk dat deze lampen vaak warm zijn. Deze warmte draagt bij aan de verstoring van het ventilatiepatroon in de operatiekamer.
 

Figuur 34: Halogeen operatielampen.
Halogeen operatielampen.
De lampen hebben elk twee stralers (kleine ronde openingen in het
midden) en acht spiegels (rechthoekige openingen).
Een nieuwe ontwikkeling is het gebruik van metaaldamp lampen. Een tl-buis is een lage druk kwikdamp lamp en valt in deze categorie. Kenmerkend voor deze lampen is hun goede rendement, zij geven veel licht en verbruiken weinig elektrische energie. Hierdoor worden zij minder warm in vergelijking met een gloeilamp. Metaaldamp lampen vragen wel een speciale installatie omdat de benodigde spanningen vaak zeer hoog zijn en zij gaan niet meteen ‘aan’. Dergelijke operatielampen moeten bij het begin van het programma worden aangezet om pas aan het einde van het programma te worden uitgezet. Deze lampen moeten na het uitzetten eerst afkoelen voordat ze weer kunnen worden aangezet. De lichtstroom van deze lampen is meer dan 10x die van halogeen lampen, dat wil zeggen een metaaldamplamp van 20Watt geeft evenveel licht als een halogeen gloeilamp van 200Watt.
De ontwikkeling is niet gestopt bij de metaaldamp lampen. In 1925 wordt het licht emitterende effect van een puntcontact diode door Oleg Losev ontdekt. In 1962 werd de eerste Licht Emitterende Diode (LED) gemaakt. Dit is een halfgeleider die licht uitzendt. In eerste instantie werden de ‘lampjes’ (meestal rood) gebruikt als signaallampjes op schakelborden. Door de samenstelling van het halfgeleidermateriaal te variëren is het nu mogelijk ‘powerleds’ te maken en worden deze ingezet als achterlicht van fietsen. Het ontbreken van een gloeidraad maakt het lampje schokbestendig en bijna onverwoestbaar. De levensduur is oneindig bij normaal gebruik.
Figuur 35: LED operatielampen.
35: LED operatielampen.
De lampen hebben heel veel stralers (ronde openingen).
Rond 2000 wordt het mogelijk ‘witte’ LED’s te maken die een gering elektrisch vermogen in veel licht kunnen omzetten, net als de metaaldamplampen. Het kleurenspectrum dat door deze lampen wordt uitgestraald kan zo worden ingesteld, dat het infrarood, wat de warmte geeft, kan worden weggelaten. De lampen stralen alleen licht uit en geen warmte. Dit is een grote verbetering van het comfort voor het steriele team dat onder de lampen moet werken.
De afmeting van de lampen vormen eveneens een verstoring van het flowpatroon van de ventilatie. Moderne operatielampen hebben een ‘flow verstoring index’ waarmee hun invloed op de laminaire stroom van een down-flow systeem wordt aangegeven. Hoe lager de indexwaarde hoe geringer de verstoring.
Om nu toch geen puntvormige lichtbron met alle nadelen van de schaduwwerking daarvan te krijgen wordt er vaak gebruik gemaakt van meerdere lampen in een huis of van spiegels. De huizen van deze lampen zijn draaibaar in meerdere richtingen. Ze mogen echter niet 'wegdrijven'. De ingestelde stand moet gehandhaafd blijven.
De bundels van deze lampen kunnen worden gericht. Dit betekent dat de bundels kunnen worden gefocusseerd op een bepaalde plaats. Doordat er nu meer bundels zijn die van de zijkant op het operatieterrein schijnen, ontstaat er een schaduwvrije verlichting van het operatieterrein. Immers, als de chirurg of de assistent het hoofd voor één van de bundels houdt, zijn er altijd nog twee of meer over voor de verlichting.
Bij een lamp met spiegels treft men vaak de mogelijkheid aan de onderlinge afstand van de spiegels te veranderen. Dit geeft dan de mogelijkheid de lichtbundel te focusseren op de wond.

 4.6.4 Onderhoud operatieverlichting

Lampen boven de operatietafel moeten goed kunnen worden gereinigd. Het zijn echte stofvangers. Tik daarom tijdens de operatie nooit tegen de lamp en voorkom dat de lampen tegen elkaar aanstoten bij het richten ervan, er kan veel stof (met aanhang) vanaf vallen.

 4.7 Röntgenfoto lichtkast

Figuur 36: Lichtkast en beeldscherm.
Lichtkast en beeldscherm.

De röntgenfoto lichtkast gaat verdwijnen en worden vervangen door het computerbeeldscherm. De ‘oude’ analoge techniek van de zwarting van een zilverlaag op een folie is te duur door de hoge prijs van het zilver en de omvang van het archief.
Inmiddels is het oplossend vermogen van elektronische beeldomzetters beter dan van de zilverkorrels op een folie en daarmee is de kwaliteit van de elektronische opname de kwaliteit van de analoge opname voorbijgestreefd. Het grote röntgenfotoarchief kan op een harde schijf in een computer server worden opgeslagen en moet de röntgenfoto in een ander ziekenhuis worden getoond, dan kan het op een cd-rom worden gebrand.

 Doelstellingen

De student kan de bouwkundige en technische voorzieningen benoemen die een hygiënische omgeving op een operatiekamercomplex (OKC) en in het bijzonder de operatiekamer (OK) bewerkstelligen.
De student kan de bouwkundige en technische voorzieningen benoemen die een veilige omgeving op een operatiekamercomplex (OKC) en in het bijzonder de operatiekamer (OK) bewerkstelligen.
De student kan de werking van de veiligheidsvoorzieningen weergeven.
De student kan de voorwaarden voor het handhaven van de hygiëne formuleren.
De student kan weergeven waaraan de verlichting van een operatiekamer moet voldoen met betrekking tot spectrum, helderheid, stralingsrichting, schaduwwerking, bouw en constructie.
De student kan de redenen weergeven waarom aan deze voorwaarden moet worden voldaan.
De student kan de functie en eigenschappen van een röntgenfoto lichtkast weergeven.

terug naar het begin van dit hoofdstuk
terug naar de inhoudsopgave

 5 Hygiëne en de verspreiding van micro-organismen

Bladwijzers:
5.1 Vermeerdering van micro-organismen
5.2 Plaatsen met micro-organismen
5.3 Verspreiding van micro-organismen
5.4 Handen wassen
Doelstellingen

 5.1 Vermeerdering van micro-organismen

Bij de vermeerdering van micro-organismen is er sprake van een rekenkundige tegenstrijdigheid, de meeste micro-organismen vermenigvuldigen zich door deling. Voor het gemak verdelen we micro-organismen even onder in bacteriën en virussen. We zullen ons hier tot het bespreken van bacteriën beperken.
Bacteriën zijn eencellige, levende organismen. Zij zijn de primitiefste levensvorm die we kennen en zijn betrekkelijk zelfstandig in hun levensvorm. Een micro-organisme heeft geen ingewikkelde organen als maag, lever, darmen etc. nodig om in leven te blijven. De opname van voedingsstoffen en afgifte van afvalstoffen gebeurt door de celmembraan heen. Om te leven heeft het micro-organisme vocht, bouwstoffen en een bepaalde temperatuur nodig.
Mensen zijn er in soorten. Er zijn mensen die in een koude omgeving leven en zich voeden met voornamelijk eiwitrijk voedsel, zoals bijvoorbeeld Eskimo's. Maar er zijn ook mensen die in een heel warme omgeving leven en weinig water gebruiken en zich voeden met voornamelijk plantaardig voedsel, zoals bijvoorbeeld Hottentotten.
Micro-organismen zijn er ook in soorten. De ene soort houdt van nat, de andere van warm en nat, een derde van koud, een vierde van droog enzovoort.
Van de soorten die voor de mens van belang zijn (zowel in nadelige als in voordelige zin), zijn de volgende eigenschappen van belang: • De temperatuur voor het vermeerderen moet rond de 37oC zijn.
• De omgeving moet vochtig zijn.
• Voor de vermeerdering moeten bouwstoffen aanwezig zijn.
Als er micro-organismen met deze eigenschappen in een wond komen, kunnen deze micro-organismen een infectie veroorzaken.

• Infectie:
Vermenigvuldiging van micro-organismen in het weefsel van de gastheer, waarbij de gevolgen van dit vermenigvuldigen aanwezig zijn.

 5.2 Plaatsen met micro-organismen

Daar waar vocht, warmte en bouwstoffen aanwezig zijn, zullen micro-organismen zich bevinden. Wanneer de omstandigheden goed zijn zullen de micro-organismen zich vermenigvuldigen. We noemen dit koloniseren.

• Kolonisatie:
De aanwezigheid van micro-organismen in of op een voorwerp met groei en vermenigvuldiging, zonder tekenen van infectie.
Op en aan het lichaam zijn plaatsen waar de condities goed zijn en daar treed dan ook kolonisatie op. Plaatsen, op en aan het lichaam, waar wel zeer grote hoeveelheden (schadelijke) bacteriën kunnen worden aangetroffen zijn:
• oksels,
• liezen,
• gebied rond de anus en bilnaad,
• in het rectum,
• in de neus en mond,
• behaarde plaatsen,
• nagels en huidplooien.
RAAK DEZE PLAATSEN NIET AAN! Gebeurt dat wel, DAN DIENEN DE HANDEN ZORGVULDIG GEWASSEN TE WORDEN!
Denk erom dat er buiten het lichaam ook plaatsen zijn, waar deze condities heersen, zoals:
• putjes,
• sop emmers,
• achter wastafels,
• gazen met bloed,
• warmkasten,
• natte stukken zeep,
• natte handdoeken.
VERMIJD DEZE PLAATSEN, OF VOORKOM DE VOOR BACTERIËN GUNSTIGE CONDITIES!
Op een operatiekamercomplex is dus geen plaats voor handdoeken, putjes, stukken zeep en volle emmers.
Warmkasten en gazen met bloed zijn niet te vermijden. Zorg er in die gevallen voor dat de condities ongunstig zijn voor groei van micro-organismen.
• Handen afdrogen moet met papieren, disposable handdoeken.
• Zeep moet uit een pompje komen.
• Wastafels moeten worden gedroogd.
• Gazen met bloed zo snel mogelijk wegdoen.
• Sopemmers leeggooien en drogen.
• Warmkasten schoon en droog houden.

 5.3 Verspreiding van micro-organismen

Micro-organismen kunnen niet vliegen of lopen. Het transport van micro-organismen is voornamelijk afhankelijk van meeliften. Stof is het populairste vervoermiddel van micro-organismen. Beperkt men de hoeveelheid stof, dan beperkt men de verspreiding van micro-organismen.
Onder stof worden ook verstaan de huidschilfers, die elk mens loslaat en die vaak door katoenen kleding heen dringen. Eén persoon geeft ongeveer 1.000 tot 10.000 deeltjes met micro-organismen per minuut af. Als we gaan rekenen, dan komen er bij een operatie van één uur, waarbij vijf mensen aanwezig zijn, 300.000 tot 3.000.000 deeltjes met micro-organismen vrij in de operatiekamer!
Als men ergens micro-organismen op overbrengt, heet dit: contamineren.

• Contamineren:
Besmetten of in contact komen met micro-organismen. De micro-organismen kunnen transiënt (tijdelijk) aanwezig zijn.
Als een patiënt een infectie krijgt, is in meer dan 50% van de gevallen het micro-organisme terug te vinden op of aan één van de leden van het team in de operatiekamer. Bij een volkomen hygiëne op de operatiekamer kan het infectiepercentage met meer dan 50% dalen! Het beperken van de verspreiding van micro-organismen is een goede stap op weg naar infectievermindering.

 5.4 Handen wassen

Was altijd de handen als men in aanraking is geweest met gekoloniseerde delen. Was de handen na koffie- en theepauze. Was de handen tussen de operaties door.
Op een operatiekamercomplex horen geen kranen te zijn, die met de hand moeten worden bediend. Alleen kranen met elleboog- en voet- of kniebediening komen in aanmerking voor gebruik op een operatiekamercomplex. Veel micro-organismen zitten op de kraanhandel.
Op een operatiekamercomplex hoort ook geen andere zeep dan een desinfecterende zeep aanwezig te zijn. Het is de bedoeling dat er zich zo weinig mogelijk micro-organismen op handen en armen bevinden.
Hoe worden de handen gewassen?
• Handen en armen nat maken tot aan de ellebogen.
• Inzepen met desinfecterende zeep uit een pompje, tot ca. 8cm vanaf de ellebogen.
• Reinigen met een puntig voorwerp (nagelreiniger) onder de nagels.
• Goed wassen gedurende 2 minuten. Duimen en de plooien tussen de vingers niet vergeten.
• Daarna de handen afspoelen onder stromend water, te beginnen bij de handen en eindigen bij de ellebogen.
• Handen afdrogen met een disposable handdoekje.
Wassen kan de handen uitdrogen. Dit kan weer de oorzaak zijn van kloven en wondjes. In kloven en wondjes kunnen micro-organismen groeien! Bij droge handen dienen de handen te worden ingevet met een handcrème.
Het zou kunnen zijn, dat men overgevoelig is voor desinfecterende zeep. Als het aan de soort desinfectans ligt, overleg dan met de ziekenhuishygiënist(e) of een andere soort desinfecterende zeep ook voldoet. Een andere mogelijkheid is het dragen van handschoenen en die dan wassen. Er is meer informatie over allergieën in de module 'Organisatie, kwaliteitszorg en beroepsgebonden risico's'.

 Doelstellingen

De student kan verwoorden welke zaken het transport van micro-organismen kunnen beïnvloeden.
De student kan weergeven welke omstandigheden de groei van micro-organismen bepalen.
De student kan weergeven welke maatregelen de groei en het transport van micro-organismen remmen zonder gebruikmaking van chemische of natuurkundige middelen.
De student kan in woorden weergeven hoe de handen moeten worden gewassen.
De student kan de namen van vier soorten desinfecterende zeep weergeven.
De student kan de mate van werking van huiddesinfectantia weergeven.
De student kan de vormen van bijwerkingen van desinfectantia noemen.
De student kan de momenten noemen wanneer de handen gewassen moeten worden.
De student kan de redenen voor het wassen van de handen weergeven.
De student kan weergeven welke hygiënische voorschriften van toepassing zijn op de materialen die bij het handen wassen worden gebruikt.
De student kan het doel van het handen wassen weergeven.

terug naar het begin van dit hoofdstuk
terug naar de inhoudsopgave

 6 Motorisch gedrag op een operatiekamercomplex

Bladwijzers:
6.1 Voorzieningen m.b.t. hygiëne
6.1.1 Hygiënische discipline, 6.1.2 Hygiënisch onderhoud, 6.1.3 Reinig de lucht in de verkoeverkamer
6.2 Motorisch gedrag met betrekking tot de hygiëne
6.2.1 Persoonlijke hygiëne, 6.2.2 Kledingdiscipline, 6.2.3 Eisen aan de kleding, 6.2.4 Motoriek,
6.2.5 Maskerdiscipline
6.2.5.1 De ontwikkeling van mond-neusmaskers, 6.2.5.2 Eisen aan mond-neusmaskers
6.3 Motorisch gedrag met betrekking tot de anesthesie
Doelstellingen

 6.1 Voorzieningen m.b.t. hygiëne

 6.1.1 Hygiënische discipline

Binnen een verkoeverkamer gelden dezelfde regels aangaande de kledingdiscipline als voor de omloop op de operatiekamer:
• een jack,
voorzien van elastische boorden aan de mouwen en een boord om het middel
• een pantalon,
voorzien van elastische boorden aan de pijpen
• hoofdbedekking;
operatiemuts
• schoeisel:
operatieklompen.
Tot preventieve maatregelen ter voorkoming van infecties kunnen onder meer worden gerekend:
• handen wassen, een ieder die de verkoeverkamer betreedt zal de handen en de onderarmen moeten reinigen met een daartoe geëigend middel.

 6.1.2 Hygiënisch onderhoud

Hygiënische onderhoudsprocedures van een verkoeverkamer zijn dezelfde als die van een operatiekamer. De materialen waarvan inrichting en meubilair worden gemaakt, moeten aan dezelfde eisen voldoen als die van de inrichting van een operatiekamer. Alle inhoud mag niet meer zijn dan het strikt noodzakelijke en moet goed te reinigen zijn.

 6.1.3 Reinig de lucht in de verkoeverkamer

De reiniging van de lucht met HEPA- (Highly Effective Particulate Air) filters. HEPA- filters (0,3 micron) zijn voor het verwijderen van deeltjes zoals; allergenen, pollen en bacteriën die problemen veroorzaken in de neus en de bovenste luchtwegen. Ook kan worden gedacht aan verplaatsbare luchtreinigers op plaatsen waar infectieuze patiënten worden verpleegd. Maar ook wanneer de reiniging in het ventilatiesysteem onvoldoende is. Hierdoor wordt de kiemconcentratie en daarmee het infectierisico voor patiënten en verkoeverpersoneel verlaagd. Bij een lagere kiemconcentratie in de ruimte zal ook de uitwisseling van deze deeltjes met aangrenzende ruimten bij geopende deuren worden beperkt.
Voor verwijdering van gas- en dampvormige halogeen koolwaterstoffen is een speciaal koolfilter ontwikkeld. In de anesthesie heeft dit jaren geleden zijn toepassing gevonden in de PhysioFlex. In dit gesloten anesthesiesysteem wordt een actief koolfilter gebruikt om gehalogeneerde koolwaterstoffen te verwijderen. Op deze wijze kan de patiënt snel en compleet worden uitgewassen van zijn dampanesthetica.
Deze techniek zou ook gebruikt kunnen worden voor het verwijderen van dampanesthetica uit de verkoeverbinnenlucht. Door een verplaatsbare luchtreiniger(s), met een speciaal koolfilter van maar liefst 8kg voor een ruimte van 40 tot 80m2 te plaatsen. Het vraagt geen bouwkundige aanpassingen.

 6.2 Motorisch gedrag met betrekking tot de hygiëne

Om infecties te voorkomen doen we bijna alles. Wanneer we de chemie te hulp roepen, bestaat echter de mogelijkheid dat er resistentie tegen het chemische middel ontstaat. Beter is het gebruik van chemische middelen te voorkomen. Het juiste gedrag kan het aantal stofdeeltjes in de lucht terugdringen en mogelijk het profylactisch gebruik van antibiotica overbodig maken.
Stof is een belangrijk verspreidingsmedium voor micro-organismen. Daar waar stof neerdaalt, dalen onvermijdelijk ook micro-organismen neer. We kunnen het transport van micro-organismen belangrijk beperken.
Regelmatig reinigen van een operatiekamer en het operatiekamercomplex is één van de maatregelen die kunnen worden genomen. Schone lucht wordt ingeblazen om zo de vuile lucht te verdunnen.
Mensen staan echter ook veel stof en huidschilfers af. Dit schilferen wordt sterker naarmate er meer activiteit is. We gaan dit fenomeen eens onder de loep nemen.

 6.2.1 Persoonlijke hygiëne

Om infecties te beperken is het zaak zo min mogelijk micro-organismen en/of hun transportmiddelen in het operatiekamercomplex te brengen.
Waar zitten die micro-organismen? Daar waar ze te eten krijgen! Niemand zal er raar van opkijken, dat het gebied rond de anus voor micro-organismen erg aantrekkelijk is. Maar is het bekend dat er in de mond wel tienmaal zoveel micro-organismen leven als in het gebied rond de anus! Alle vochtige plaatsen zijn plaatsen waar micro-organismen aanwezig zijn.
Wassen en nagels schoon houden zijn heel goede manieren om micro-organismen verre van het operatiekamercomplex te houden. Eenmaal per dag in bad of onder de douche is verplicht.
Wassen doet de huid echter uitdrogen. Een droge huid bevordert het afstaan van huidschilfers en dat willen we nu net niet! Toch maar niet wassen?
Nee, wel wassen, maar niet vlak voordat het operatiekamercomplex betreden wordt! De afgifte van huiddeeltjes is gedurende één uur verhoogd en daalt dan weer tot het normale niveau.

 6.2.2 Kledingdiscipline

Er is geen patiënt die behoefte heeft aan een infectie met micro-organismen van binnen of buiten het ziekenhuis. Zorg er dan ook voor, dat micro-organismen van buiten het operatiekamercomplex niet mee naar binnen worden genomen.
• Trek aparte kleding (uniform) aan telkens als het operatiekamercomplex wordt binnen gegaan.
• Trek regelmatig (liefst voor elke operatie, maar zeker éénmaal per dag) een schoon uniform aan.
In haren zitten veel micro-organismen.
• Draag een ondoordringbare haarbedekking waardoor alle, ook baardharen, worden bedekt.
Zelfs al zit er geen straatvuil aan de schoenen, dan zijn deze toch nog een stuk viezer dan schone klompen.
• Trek apart schoeisel aan wanneer men het operatiekamercomplex betreedt.
Het heeft alleen maar zin apart schoeisel aan te trekken indien dit regelmatig wordt schoongemaakt!
• Wissel regelmatig (liefst voor elke operatie, maar zeker éénmaal per dag) het vuile schoeisel om voor schoon.
Breng geen micro-organismen aan op het schone uniform. Houd ook geen kleding aan die micro-organismen kan herbergen.
• Ontkleedt u tot het ondergoed, was de handen en trek dan een schoon uniform aan.
Bij het uniform van operatiekamerpersoneel horen sokken.
• Stop de broekspijpen in de sokken zodat verspreiding van deeltjes met micro-organismen wordt tegengegaan.
Kettingen, halsbanden, armbanden en polshorloges schuren schilfers van de huid los en dragen zo bij aan de dispersie van deeltjes. Onder horloges, oorknopjes en ringen ontstaat vaak een vochtige plek, een prima plaats voor groei van micro-organismen.
• Het dragen van sieraden en horloges op een operatiekamercomplex is niet toegestaan.

 6.2.3 Eisen aan de kleding

Om het afstaan van deeltjes te beperken, moet het personeel op de operatiekamer kleding dragen die ondoordringbaar is voor deeltjes. In dat geval blijven de deeltjes achter de kleding.
• De kleding moet ondoordringbaar zijn voor stof en huidschilfers.
De deeltjes kunnen dan wel naar beneden vallen en zo uit de broekspijpen of onder jurken vandaan vallen en dit zullen we moeten verhinderen.
• De kleding moet zijn voorzien van elastische boorden rond het middel, de armen en de benen. (Dit sluit jurken als uniform uit!)
Het schuren van de kledij maakt veel huidschilfers los.
• De kleding mag niet strak zitten.
Door vocht kunnen micro-organismen heel goed van de binnenzijde van de kleding naar de buitenzijde van de kleding worden getransporteerd. Deze zwemmen er als het ware doorheen.
• De kleding mag niet doorlaatbaar zijn voor vocht.
Als aan deze eisen moet worden voldaan is een duikerpak het beste, daarom nog een aanvullende eis:
• De kleding moet ventileren
Er is geen materiaal dat hieraan volledig kan voldoen. Katoen ventileert wel, maar staat ook veel stof af en is beslist niet waterdicht. Linnen staat al veel minder stof af maar is vaak grofmazig, zodat er veel deeltjes doorheen kunnen en waterdicht is het ook niet. Moderne kunststof vezels staan bijna geen stof af, kunnen zeer dicht worden geweven en weerstaan vocht voor enige tijd. Ventileren is dan ook een probleem. Non-woven wegwerpkleding is stof- en deeltjesdicht, sterk waterafstotend, staat geen stof af en ventileert toch nog goed.

 6.2.4 Motoriek

Doordat er na enige tijd onvermijdelijk stof op de grond van een operatiekamer ligt, is deze aan te merken als een besmette omgeving. Lopen en bewegen doen dit stof weer opdwarrelen. Wanneer het neerdwarrelt, kan het in de operatiewond neerkomen en zo een infectie veroorzaken.
Als je als omloop even niets te doen hebt, ga dan ergens op een krukje zitten.
Denk aan de zonering van de operatiekamer: verplaats niets van 'vuil' naar 'schoon'. Houd ook de handen niet boven een steriel veld! Eigenlijk is het goed wanneer men zelf zo min mogelijk zou bewegen. Dit is niet altijd mogelijk. Vooruitdenken kan de efficiëntie van 'bewegen' wel verhogen. Dit mag echter nooit leiden tot het volstoppen van een operatiekamer met voorraden. Voorraden verstoffen snel en leiden tot onhygiënische toestanden
Beweeg beheerst. Ga niet met de armen staan molenwieken en loop niet onnodig hard. Denk erom dat het openen en sluiten van deuren veel luchtverplaatsing met zich meebrengt.
Tussen de operatiekamer en de gang mag eigenlijk geen directe verbinding zijn, om zo de overdruk zo lang mogelijk te handhaven. Is deze verbinding er wel, zorg er dan voor dat er tijdens de operatie geen gebruik van kan worden gemaakt (tenzij in noodgevallen). Als men onverhoopt van een operatiekamer af moet, loop dan via een voorbereiding of een andere tussenruimte.

 6.2.5 Maskerdiscipline

 6.2.5.1 De ontwikkeling van mond-neusmaskers

Figuur 37: Masker voor zelfbouw.
Masker voor zelfbouw.

De mondmaskers, die op een operatiekamer worden gedragen, zijn in de tijd geëvolueerd van deflectie- (afbuigen) naar filtermaskers. Aanvankelijk waren de maskers er alleen voor de mond. Onderzoeken toonden aan dat bij operaties waarbij maskers werden gedragen, het aantal infecties niet beduidend minder was. Als gevolg hiervan raakte het dragen van maskers een tijdje 'uit'. Anderen beweerden dat maskers juist voor de mond en neus moesten worden gedragen. Bij onderzoeken hiernaar bleek het infectiepercentage wel lager te zijn. Dit leidde uiteindelijk tot de huidige maskerdiscipline waarbij maskers voor mond en neus worden gedragen.
Maskers werden vroeger gemaakt van een gaas dat over een stalen frame werd bevestigd. Dit was niet erg comfortabel en bovendien lieten de katoenen gazen al snel micro-organismen door en stonden stofdeeltjes af in de vorm van katoenvezel. Later werden er maskers gemaakt van lagen gaas en krantenpapier. Deze maskers lieten niets door en waren dus 'deflectiemaskers'
Indien men een wat oudere specialist naar achteren ziet stappen, naar de patiënt ziet blijven kijken en dan hoort niezen, dan is deze duidelijk nog aan het dragen van een deflectiemasker gewend. De luchtstoot van het niezen moest naar beneden worden afgeleid. Men moest namelijk naar achteren stappen om deze luchtstoot (met micro-organismen) niet in de wond te laten komen. Bij de moderne filtermaskers is dit niet nodig, het is beter het hoofd af te wenden om, bij eventueel doorlaten van het masker, de deeltjes van de patiënt weg te blazen.
Vroeger werden de maskers van glasvezel gemaakt. Later bleken dragers van zulke maskers deze glasvezels in de longen te hebben. Dit leidde tot recidiverende longontstekingen. Tegenwoordig zijn maskers niet meer van glasvezels maar van cellulose- of kunststof vezels gemaakt.

 6.2.5.2 Eisen aan mond-neusmaskers

Figuur 38: Masker voordoen omstreeks 1920.
38: Masker voordoen omstreeks 1920.
Merk op dat ook toen het masker niet aan voorkant
mocht worden aangeraakt!

Pas na 100 jaar gebruik van mondmaskers wordt in april 2003 een begin gemaakt met het opstellen van eisen waaraan maskers voor gebruik op de OK moeten voldoen. Bij het vaststellen van deze eisen wordt uitgegaan dat de maskers in eerste instantie de patiënt en de omgeving zullen beschermen tegen stoffen uit de mondkeelholte en de neus van de drager van het masker.
De effectiviteit van het masker wordt eveneens omschreven. De maskers worden ingedeeld in twee groepen, waarvan groep I een filtrerend effect groter dan 95% heeft en groep II een filtrerend effect heeft groter dan 98%. Het filtrerende effect betreft deeltjes tussen 0,5 en 12 µm. Het masker is geen HEPA filter en kan virussen doorlaten. Omdat virussen en micro-organismen doorgaans vastzitten in de druppeltjes van aërosol, is het filtrerende effect meer afhankelijk van de druppelgrootte, dan van de afmeting van het virus of micro-organisme. De methode voor het bepalen van het filtrerend effect wordt nauwkeurig omschreven in de richtlijn.
De nieuwe eisen zijn ook zo geformuleerd, dat zij het een fabrikant vrijlaten een doelstelling toe te voegen aan het gebruik van maskers; het masker kan de gebruiker van het masker beschermen tegen vloeistofspatten uit het wondgebied. De maskers krijgen dan een R toegevoegd aan de I of II van de groepsclassificatie. Andere vormen van bescherming zoals tegen damp van beencement of dampvormige anesthetica mogen worden toegevoegd, zolang deze toevoeging geen afbreuk doet aan het functioneren van het masker volgens de gegeven richtlijnen. Maskers kunnen voorzien zijn van een doorzichtig spatscherm om de ogen te beschermen. Zo wordt het binnendringen van micro-organismen via de traanwegen tegen gegaan.
Het masker mag niet teveel weerstand vormen tegen de ademlucht. Het wordt dan benauwd en de filterfunctie komt in gevaar door langs de zijkant ontsnappende lucht. In de richtlijnen zijn methoden opgenomen om de weerstand van een masker te bepalen en het drukverschil tussen voor en achter het masker mag niet groter zijn dan 50mm H2O bij een flow van 8 liter per minuut.
De nieuwe maskers die aan deze richtlijnen voldoen krijgen het CE merk.
Maskers worden schoon, maar niet steriel, geleverd. Maak een masker dan ook niet vuil (microbiologisch gezien) door de voorzijde met de handen aan te raken. Uitademen door het masker zal dan de micro-organismen van de voorzijde van het masker wegblazen, de operatiekamer in.
• Raak een masker alleen aan de bandjes aan en nooit aan de voorzijde.
Het moderne masker is een filtermasker. Er moet dan ook doorheen worden geademd en niet er langs.
• Een masker moet strak aan het gezicht aansluiten.
Het filtermasker heeft niet het eeuwige leven. Het masker kan het filtreren niet langer volhouden dan 30 minuten, daarna begint het door te laten. Na drie kwartier staat het masker meer micro-organismen af dan dat de drager achter het masker afgeeft. Dit komt omdat het masker gedurende drie kwartier al deze micro-organismen heeft kunnen verzamelen.
• Verwissel zo mogelijk elk half uur van masker. Als dit niet kan, verwissel dan in elk geval na elke operatie van masker!
Doordat het masker de micro-organismen opvangt, is het sterk gecontamineerd.
• Pak het masker bij het afdoen altijd bij de bandjes en nooit het maskergedeelte; dit is tenslotte sterk besmet! Gebeurt dit toch, was dan grondig de handen!

 6.3 Motorisch gedrag met betrekking tot de anesthesie

Als een patiënt in 'slaap' gemaakt wordt, dan is op het moment van inslapen het gehoor erg gevoelig. Dit komt omdat op dit moment de hersenschors door het slaapmiddel wordt ontregeld. Dit resulteert in verslapping van de spier die het trommelvlies aanspant (M. Tensor Tympani). Door het ontbreken van een zekere spanning kan het trommelvlies zeer sterk meetrillen. Zo wordt de overdracht van de geluidstrilling van het trommelvlies richting zenuw zeer sterk!
De patiënt reageert op dit moment niet normaal op 'prikkels' van buitenaf. Een geluidsprikkel kan op deze manier leiden tot hartstilstand, ademstilstand, laryngospasme (dichtgesnoerde keel) en ongecontroleerde bewegingen. De patiënt komt hierbij in een levensgevaarlijke toestand en/of valt van tafel en breekt iets.
Als men op een operatiekamer is, let dan op. De anesthesioloog zal het niet in dank afnemen als men praat, zingt of fluit terwijl de patiënt in slaap gemaakt wordt. Ritselen met verpakkingsmateriaal is dan ook uit den boze!

 Doelstellingen

De student kan verwoorden welk motorisch gedrag moet worden vertoond om remming van groei en transport van micro-organismen te bereiken.
De student kan de eisen weergeven die aan een ruimte gesteld worden om groei en transport van micro-organismen te remmen.
De student kan de virtuele grenzen van de hygiënische zonering weergeven.
De student kan de hygiënische voorwaarden met betrekking tot het betreden van het OKC weergeven.
De student kan de voorwaarden voor een goed OK uniform benoemen.
De student kan de routines voor hoofdhaar- en mondbedekking weergeven.
De student kan de voornaamste groep van verspreidingsmedia van micro-organismen beschrijven.
De student kan de wegen weergeven waarlangs de verspreiding van micro-organismen plaatsvindt.
De student kan de hygiënische discipline voor het personeel op een OKC weergeven.
De student kan weergeven welke omstandigheden het volgen van de hygiënische disciplines onnuttig maken.
De student kan de reden weergeven waarom het tijdens het inleiden in narcose stil moet zijn.

terug naar het begin van dit hoofdstuk
terug naar de inhoudsopgave

 7 Bronnen

Auteurs Titel, Uitgever
Abcoude M. van Elektrische veiligheid in medisch gebruikte ruimten
Nederlands Normalisatieinstituut Deft 2012 ISBN 978 90 5254 9 NUR 950 UIT 22 ICS 11.140, 91. 140.50
Arbeidsinspectie De nationale MAC-lijst
Publicatieblad P 45 1992
Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid aan de Arboraad. Brief
D.G.A / TOS / 92 /12068, 1992
College voor ziekenhuisvoorzieningen Bouwkundig-functionele beoordelingsmaatstaven ten behoeve van nieuwbouwplannen voor een operatieafdeling.
College voor ziekenhuisvoorzieningen, 18 mei 1981.
College bouw ziekenhuisvoorzieningen Operatieafdeling, Bouwmaatstaven voor nieuwbouw.
Rapportnummer 0.115 ISBN 90-8517-008-7
Drain. C.B. RN. CRNA. BSN, Shipley. S.B. RN. MSN The Recovery Room
W.B.Saunders Company.
Hilkemeyer Dr.T.R.H Bouwkundige en technische uitgangspunten voor de OK
Kayne Alan D., Fox Charles J.,Urman Richard d. Operating Room Leadership and Management
Cambridge University Press, New York 2012 ISBN 978-1-107-01753-5
Koornneef F., Wijk van Brievingh R.P. van. Veiligheid in het ziekenhuis,
Delftse Universitaire Pers, Delft 1983 ISBN 90 6275 107 5
Middelink J.W. Systematische Natuurkunde voor de bovenbouw VWO/HAVO deel B
tweede druk, achtste oplaag, 1978 Van Walraven B.V. Apeldoorn
Milcare, A Herman Miller Company Case Study Nurses Stations
Columbia Summit Medical Center
Nederlands Normalisatie Instituut NEN1010
NNI 2012.
Pol. S. van der De verkoeverkamer.
Operationeel 1983, no. 2, blz. 21
Pol. S. van der Verkoeverkamer
Operationeel 1987, no. 5, blz. 9
Pol S. van der OZT-Verkoeverkamer.
VERES Publishing, ISBN10 90-801578-8-0, 2e druk 2000
Pol. S. van der Het inrichten van een verkoeverkamer, ergonomie is wat je van je werkplek maakt
OKCompleet, no. 1 1999. VERES Publishing
Pol. S. van der Aangenaam om in te ontwaken
Kind en Ziekenhuis juni 1999
Reekum. J. van OZT-Grondbeginselen.
ISBN10 90-801578-2-1 VERES Publishing Oosterbeek 1993
Rheenen G.A., arts Professionele Zorg voor een gezond Binnen Milieu
Cara C’air, Zadelmakerstraat 28 1991 JE Velserbroek
Traas Ing PA Het ontwerpen van de omgeving rond een bed in een High Care Unit
Kritiek, Jaargang 12, nummer 6 1994
Verweij M., arts Mellaart M., achitect Maatstaven voor de Bouw van een OK-afdeling
College voor Ziekenhuisvoorzieningen
Wal ing J.F. v.d. Onderzoek naar de prestaties van zes typen luchtreinigers
TNO rapport:95-BBI-RO403, 30 mei 1995

terug naar het begin van dit hoofdstuk
terug naar de inhoudsopgave